Brussel op: www.basiliades.be

Vlaanderen (mentaal) verstedelijken

Christian Leysen, Sas van Rouveroij & Sven Gatz m.m.v. Johan Basiliades

De bijdrage “Vlaanderen mentaal verstedelijken” is een uitwerking van het Liberaal Stedenmanifest geschreven voor de digitale nieuwsbrief Liberales (www.liberales.be). De tekst werd ook gepubliceerd in het vakblad Ruimte & Planning. Tijdschrift voor Ruimtelijke planning, stedenbouw en huisvesting (jaargang 25, nr.1, 2005).


Kanaries uit de koolmijnen

Elk jaar in mei trekt er een kleurrijke stoet door Brussel: de gay-pride. De steun van de Vlaamse liberalen aan de Gay-pride zou je eenvoudig kunnen verklaren door te stellen dat de VLD hier tegen bepaalde vormen van discriminatie en uitsluiting opkomt: de Vlaamse liberalen hebben trouwens mee een voortrekkersrol gespeeld in het goedkeuren van het homohuwelijk in het parlement. Toch houdt die liberale steun meer in. Het staat voor een bepaalde mentaliteit.

De Amerikaanse socioloog Richard Florida haalde de wereldpers met zijn verhaal over de link tussen een bloeiende gay-scene en economisch succes van een stad. Homo’s zijn de spreekwoordelijke kanaries uit de koolmijnen. Kompels daalden de mijn in met een kanarie die hen tijdig kon waarschuwen voor geurloos maar uiterst gevaarlijk mijngas. Uit statistisch onderzoek concludeerde de socioloog dat een actieve gay-scene in een stad de meest betrouwbare voorspeller is voor komend economisch succes, betrouwbaarder dan alle traditionele voorspellers zoals investeringsgraad, R&D-parken, infrastructuur… Zijn homo’s dan ondernemend? Niet meer of minder dan heteroseksuelen.

Grote homo-gemeenschappen tref je wel aan in tolerante steden. Creatieve mensen, met een open geest, willen in een tolerante stad leven en werken. Het zijn creatieve mensen die over talent en kennis beschikken. Het zijn ook zij die nieuwe technologieën genereren. Bedrijven in de nieuwe economische sectoren zijn voortdurend op zoek naar die innovaties, naar nieuwe technologieën. Een groeiend aantal bedrijven in nieuwe economische sectoren gaan zich steeds minder gaan vestigen daar waar de loonlasten laag zijn, daar waar er gunstige fiscale voordelen zijn voor investeringen, maar wel daar waar ze het voornaamste kapitaal voor hun bedrijf vinden: talentvolle werknemers die nieuwe technologieën uitwerken.

Vlaanderen zal nooit de concurrentieslag winnen in de loonlasten. Voormalig ministerpresident Bart Somers benadrukte in zijn septemberverklaring dat we onmogelijk kunnen concurreren met het salaris voor een ingenieur in één of ander Aziatisch land. Vlaanderen kan wel nog op de trein van de creatieve economie springen. Dit is echter ook een concurrentieverhaal: welke steden zijn internationaal het aantrekkelijkst voor talent? Dit hoeven geen megapolissen te zijn als New-York, Londen of Parijs. Richard Florida geeft de voorbeelden van Austin in Texas of Dublin in Ierland aan. Het gaat om steden die “in” zijn, waar een bloeiend cultureel leven is, een goede muziekscène, een aangenaam en hip uitgaansleven… en vooral tolerante steden die vlot omgaan met diversiteit, zowel homo’s als immigranten.

De Urban Renaissance

Het verhaal van Florida steunt op vier elementen: Tolerantie, Talent, Technologie en de Stad. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De klassieke ondernemerswereld is al langer overtuigd dat investeren in talent en technologie een must zijn. Het VEV gaf vijf jaar terug het belang van verdraagzaamheid al aan voor economisch succes van een regio. Enkel een vooruitstrevende visie op de rol van de Vlaamse steden lijkt afwezig. Maar de realiteit wacht niet op het beleid. Ook in Vlaanderen, net als in de hele westerse wereld, is er een stedelijke renaissance aan de gang. Steden als Antwerpen, Gent en Brussel kennen een nieuwe spontane dynamiek.

Tot kort na de tweede wereldoorlog was de welvaart en de economische ontwikkeling in de steden gesitueerd. Wie zijn boterham goed wilde verdienen, verhuisde dus om die reden naar de stad. Aan dit éénrichtingsverkeer is pas een einde gekomen in de jaren ‘60. Hier waren voornamelijk twee redenen voor. De eerste - de belangrijkste - was de revolutionaire evolutie in de mobiliteit: de gemiddelde Belg kon zich makkelijker een auto aanschaffen. Gebeurde het vervoer tot enkele jaren na WO II nog meestal gemeenschappelijk (bus, tram, trein), dan veranderde dit snel na de expo van 1958. Het vooruitgangsdenken was legio. De auto als individueel vervoersmiddel paste daar uitstekend in. Wie een auto bezat hoefde dus niet meer te wonen waar hij werkte. Het verkavelen van Vlaanderen tot in de verste uithoeken kon beginnen.

Een tweede reden van de stadsvlucht werd onrechtstreeks door de eerste in de hand gewerkt: meer auto’s in de stad, grote infrastructuurwerken om koning auto tot diep in het centrum te laten doordringen. Dit alles werd dan nog vermengd met speculatieve leegstand, kaalslag en stadsverloedering en zo had de stedeling nog een reden meer om de stad te verlaten. Dit proces is al ruim dertig jaar aan de gang en het is nog steeds niet zeker dat het vandaag voorbij is.

In ieder geval zien steden als Brussel, Antwerpen en Gent dat er opnieuw behoorlijk wat nieuw bloed naar de stad komt. Enerzijds heeft men een grote groep allochtonen die in belangrijke mate de autochtone “stadsvluchtelingen” vervangen hebben. Anderzijds is er sprake van wat men in wetenschappelijke literatuur “gentrification” noemt. Dit is de vervanging van bewoners van een wijk, in oudere stadsdelen, door meer kapitaalkrachtige inwijkelingen. De nieuwe stedelingen, zowel de allochtone groep als de relatief welstellende inwijkelingen hebben, naast vele verschillen, één ding gemeen: de multiculturaliteit. De aanwezigheid van allochtonen is juist de reden waarom we sedert een tiental jaren over de multiculturele maatschappij spreken. De gentrification-immigranten komen juist naar de stad o.m. omdat zij graag in een multiculturele omgeving willen wonen. Het is m.a.w. een bewuste keuze. Ze zoeken een tolerante en open omgeving op. En hiermee verschillen ze grondig van diegenen die de stad ontvlucht zijn. Het is zeker zo dat zij die uit de stad weggetrokken zijn dit wellicht om een amalgaam van zeer uiteenlopende redenen gedaan hebben, maar evenzeer is het zonneklaar dat velen onder hen de wijk genomen hebben omdat hun stad hen te multicultureel geworden is (d.i. een eufemisme).

De nieuwe inwijkelingen hebben een heel nieuw ontspanningsleven uit de grond gestampt. Het uitgaansleven, cafés, restaurants en clubs, schieten als paddestoelen uit de grond. Het cultureel aanbod trekt weer aan. Er komen winkels die op dit publiek inspelen, mode, design, … Industriële panden in verloren gewaande buurten worden opgekocht als woonlofts ingericht. Kleine bedrijfjes in de creatieve economische sector vestigen zich in het centrum van de stad, mode, reclame, communicatie, design, IT, … Het stedelijk pessimisme van de jaren ’80 en ’90, waar de stad synoniem stond met achterstelling, integratieproblemen, criminaliteit heeft bij nieuwe inwoners plaats gemaakt voor een stedelijk optimisme. De stedelijke renaissance is een feit.

Naar een liberaal stedelijk beleid

De politiek kan hier op toekijken. Dit is een spontane dynamiek die we internationaal vaststellen. Die nieuwe stedelingen vinden wel zelf hun weg en voor de rest laisser faire en laisser aller.

Anderzijds kan je het bestaande stedenbeleid verder zetten. Hoe meer de steden in financiële ademnood kwamen door de uittocht van haar middenklasse, en hoe meer de stad met “stedelijke problemen” te kampen had, hoe meer er een steunbeleid t.a.v. de steden werd opgezet. Programma’s voor achtergestelde wijken, voor achtergestelde groepen. Honderden vzw’s zijn in onze steden actief in sociaal oplapwerk. Nu we de nieuwe mogelijkheden zien groeien, beginnen een aantal liberalen in te zien dat dit niet de juiste ingesteldheid is voor een stedenbeleid. De visie is hier nog steeds die van de stadsvlucht: “de overheid moet de problemen van de stad beheersbaar houden!” . Liberalen willen daarentegen een beleid dat inspeelt op de nieuwe kansen.

Als liberale politici uit Antwerpen, Gent en Brussel wilden we dit over een andere boeg gooien. We zijn samen gaan zitten en hebben het project “stadslucht maakt vrij” opgestart ( www.stadsluchtmaaktvrij.be). Het begrip komt uit middeleeuwse stadskeuren. Duizend jaar geleden dwongen stedelingen in Vlaanderen medebestuur af van hun feodale vorsten. Wie binnen de stadsmuren woonde was een vrij man en onderworpen aan de humane en vooruitstrevend wetgeving. De steden waren de bron van welvaart, handel, creativiteit, prille democratie en beschaving. Ze vormden als het ware de voedingsbodem voor een liberale state of mind. Het parallel met de huidige stedelijke heropleving leek ons voor de hand liggend. De stad moet de motor zijn voor welvaart en democratie in gans Vlaanderen. Onze steden mogen niet langer als probleemgevallen benaderd worden maar wel als een onmisbare schakel voor de Vlaamse welvaart.

Vlaanderen verstedelijken

We zeggen wel eens smalend dat Vlaanderen nog steeds onder de kerktoren leeft. Landelijk Vlaanderen zou het maatschappelijk en politiek discours domineren. Dit klopt niet volledig. Met de stadsvlucht is er een nieuw Vlaanderen ontstaan: verkaveld Vlaanderen. Wie de middelen heeft, en dat waren steeds meer Vlamingen, ging wonen buiten de kern, in verkavelde wijken tot ver buiten de stad. Deze verkavelde Vlamingen houden er een ambigue houding t.a.v. de steden op na: uit tal van onderzoeken blijkt dat ze de steden eerder als een noodzakelijk kwaad beschouwen, waar ze wel gaan werken of uitzonderlijk eens gaan winkelen, maar hen in grote lijnen als bedreigend ervaren (zeker als het over de grotere steden gaat).

Vlaanderen verstedelijken moet dus zowel de reële verstedelijking als de perceptie van de steden aanpakken. De basis voor de huidige fiscaliteit is ontstaan in een periode dat de nood aan verstedelijking niet bestond. We kunnen het vergelijken met de fiscaliteit op de gezinnen: die was ook ontstaan in een periode dat trouwen de regel was. De CD&V meerderheden zagen het als evident om gezinnen met één verdiener te bevoordelen. Dit paste in het toenmalig rolpatroon waar de vrouw thuis bleef, maar dit benadeelde fiscaal de tweeverdieners. Vanaf de jaren ’70 nam het fenomeen van ongehuwd samenwonen toe en nam ook het éénverdienersmodel af. Plots bleek de oude fiscaliteit niet meer zo rechtvaardig: samenwonenden werden fiscaal bevoordeeld en gehuwde tweeverdieners benadeeld. De liberale regering heeft deze ongelijkheid rechtgetrokken en aan de huidige normen aangepast.

De situatie t.a.v. de steden is vergelijkbaar. In 1971 was het gemiddeld belastbaar inkomen van de Brusselaar 139% van het Belgisch gemiddelde. In Sint-Pieters-Woluwe was dit zelfs 206%. In 1998 was het gemiddeld Brussels belastbaar inkomen nog maar 91,3% van het Belgisch gemiddelde. Een gemeente als Sint-Joost-ten-Noode zag haar gemiddeld belastbaar inkomen per inwoner zelfs dalen van 106% naar 48.2% tussen 1971 en 1998. De kadastrale Inkomens zijn echter dezelfde gebleven. Ze liggen veel hoger in de steden dan in verkaveld Vlaanderen. Al is het gemiddeld inkomen van de stedeling fors gedaald, hij betaalt verhoudingsgewijs nog steeds meer onroerende voorheffing (berekend op het Kadastraal Inkomen). Daarbovenop werden er tal van fiscale voordelen uitgewerkt om de bouw te stimuleren tussen 1970 en 2000. Nieuwbouw is geen stedelijk maar een landelijk fenomeen. Ook deze voordelen gingen aan de stedelingen voorbij. De fiscaliteit bevorderde de stadsvlucht.

Er is inderdaad een trend naar nieuwe inwijking van jonge mensen in de steden. Statistieken bevestigen dit: het immigratiesaldo voor Brussel is positief voor de leeftijd groep 20 tot 24-jarigen (6.018 nieuwkomers tussen ’88 en 93). Tussen 25 en 29 jaar is het plots weer negatief (-4527) en voor de groep 30 tot 34 jaar en kinderen tussen 0 en 4 jaar (hun kinderen dus) is het respectievelijk -10948 en –12053. Dit zijn de twee grootste categorieën uitwijkelingen. Eens de nieuwkomers denken aan een huis kopen en aan comfort en dus ruimte voor de kinderen, denken ze ook aan de stad te verlaten. Net op het ogenblik dat deze groep qua belastingen voor de stad interessant wordt, trekken ze weg.

Op korte termijn willen wij nochtans die keuze keren. Een goed voorstel is om Vlamingen die naar de stad verhuizen geen registratierechten moeten betalen op de aankoop van een woning en daarbovenop de eerste drie jaar geen onroerende voorheffing moeten betalen. Dit is een drastische ingreep om de trend stadsvlucht onmiddellijk te keren en de dynamiek van stadsvernieuwing te ondersteunen.

Op langere termijn zijn er meer structurele fiscale maatregelen nodig. Een goed uitgangspunt zou zijn om naast de geschatte waarde van een eigendom voor de fiscus (wat het nu KI is), ook meer en meer rekening te houden met een soort geschatte maatschappelijke kost van een eigendom voor de fiscus. Dit criterium kan het best berekend worden aan de hand van de bevolkingsdichtheid. Hoe dichter bevolkt een gemeente, hoe lager de kost voor de staat is inzake algemene dienstverlening en infrastructuur (scholen, ziekenhuizen, huisvuilophaling, postbedeling, openbaar vervoer, wegen, riolering, bibliotheken, …). Wij stellen voor om een coëfficiënt bevolkingsdichtheid te bepalen en die af te trekken van de registratierechten bij aankoop, van de onroerende voorheffing en van de personen- en vennootschappenbelasting.

Terecht hebben we in België in de afgelopen decennia en verregaande staatshervorming doorgevoerd met eigen financiële middelen voor de regio’s. Dit kwam tegemoet aan een duidelijke evolutie naar meer Vlaamse zelfstandigheid. Maar in heel de federale structuur hebben we die andere evolutie, de stadsvlucht en het verminderend financieel draagvlak van de steden uit het oog verloren. Vandaag stellen we vast dat steden een essentiële rol spelen in de welvaartcreatie. Het is dan ook hoogtijd om een grootstedelijke staatshervorming door te voeren. Steden als Brussel, Antwerpen, Gent en Luik moeten omgevormd worden tot stadsgewesten los van de provincies. Ze moeten een eigen financiering krijgen.

De fiscale voorstellen op basis van de bevolkingsdichtheid zullen uiteraard voelbaar zijn voor die dichtbevolkte gemeenten. De gemeenten worden grotendeels gefinancierd door de onroerende voorheffing. Het terugverdieneffect van deze maatregelen alleen zal niet volstaan om dat verlies te compenseren. Om de stedelijke gemeenten financieel te compenseren dient zowel de financieringswet als het gemeentedecreet gewijzigd te worden, als ook de personenbelasting aangepast. De meest voor de hand liggende regel is hier de bevolkingsdichtheidcoëfficiënt omgekeerd toe te passen en extra middelen aan dichtbevolkte gemeenten toe te kennen in de in het gemeentedecreet, en aan stadsgewesten in de financieringswet. Daarbovenop lijkt het ons ook rechtvaardig om een deel van de personenbelasting te betalen in de gemeente waar men werkt.

Met deze voorstellen voor fiscale en institutionele hervormingen menen wij enkel een scheeftrekking uit het verleden recht te zetten. De fiscaliteit moet aan de huidige realiteit worden aangepast. Dit zouden duidelijke stimuli zijn om de reeds bestaande trend naar de stad aan te moedigen.

Maar het promoten van de stadscultuur in Vlaanderen houdt meer in dan wonen en ondernemen in de stad fiscaal aantrekkelijk te maken. Vlamingen moeten ook “mentaal” verstedelijken. Verkaveld Vlaanderen zal niet plots van de dag op de andere massaal naar de stad verhuizen. De stad blijft alsnog beladen met grote vooroordelen bij de Vlaming onder de kerktoren en de Vlaming in de landelijke woonwijk. Onbekend is onbemind.

Een beeldvormingsbeleid rond de stad is een minder tastbaar beleid dan een fiscaal beleid, maar het is al even onmisbaar. Via het verder uitbreiden van betrouwbare kinderopvang, ontspanningsmogelijkheden en groen in de steden moeten we de stad als biotoop om kinderen te laten opgroeien bevorderen. Daarnaast moeten we ook de niet in de stad wonende Vlamingen overtuigen de stad te gebruiken voor inkopen, cultuur, ontspanning… Een stad is ook maar leefbaar als ze haar centrumfunctie naar de rand kan vervullen. Stadsklassen in het onderwijs, naast de bosklassen, promotionele acties zoals de “Thuis in de stad” campagne, stedelijkheid in fictie en non-fictieprogramma’s op TV (de serie Flikken in Gent, Heterdaad in Brussel,…)… kunnen hier alvast een bijdrage toe leveren. Wat meer Vlaamse Sex and the City!

Vlaamse steden in de Europese mobiliteit

De aantrekkelijkheid van onze grootsteden moeten we zeker niet alleen in een Vlaamse of zelfs Belgische context zien. Steden zijn een bron van welvaart voor een regio of land. Maar niet alle steden zijn dat. Enkel de meest tolerante en open steden trekken talentvolle inwijkelingen aan en zijn een goede biotoop voor creativiteit. Het is een beetje als de wet van de jungle: hoe aantrekkelijker de stad, hoe groter de kans op succes. Richard Florida deed zijn statistisch onderzoek op basis van de steden in de VS. Het is in Amerika vrij eenvoudig om van de oostkust naar San Francisco of Austin te verhuizen. Ze hebben er een lange traditie van interne mobiliteit. In Europa ligt dit vooralsnog anders. De vele taal-, cultuur- en landsgrenzen hebben een mobiliteit van personen op grote schaal altijd tegengehouden. Nochtans is Europa het kader waarbinnen we de concurrentie tussen steden zullen moeten plaatsen. De Europese Unie moedigt steeds meer mobiliteit aan, ze promoot dit actief en vroeg of laat zal die mentaliteit kenteren. Het is belangrijk dat onze Vlaamse steden op dat ogenblik met naam en faam op de Europese kaart staan als places to be.

Een stadscultuur in Vlaanderen promoten is daartoe essentieel. Maar deze trend plaatst Vlaanderen, net als een regio als Catalonië trouwens, voor een extra uitdaging: hoe een beleid gericht op het beschermen van de eigen cultuur (wat de motor achter het Vlaamse autonomiestreven was) verzoenen met een open beleid naar nieuwkomers uit heel Europa en ver daarbuiten? We kunnen niet wachten om hier over na te denken. Net als Québec binnen Canada, moeten we in Vlaanderen streven naar eigen immigratiebevoegdheden. Niet om de immigratie tegen te houden, maar om een immigratiepolitiek te voeren die snelle taalverwerving aanmoedigt. We moeten een taalbeleid in het openbaar leven koppelen aan laagdrempelige incentives om de taal te verwerven. De Vlaming moet meertalig zijn, maar de immigranten moeten ook het voordeel van het Nederlands aanvoelen om hier te integreren. En ook hier net als bij het mentaal verstedelijken van Vlaanderen is de voornaamste hervorming niet tastbaar: de Vlaming moet een geest van openheid t.a.v. de nieuwe immigranten aannemen. Het ergste wat Vlaanderen kan overkomen is een angstige repli sur soi in onze steden.

Deze uitdaging zullen we moeten meten. Het komend decennium moet het Vlaams Blok dat symbool staat voor het angstige Vlaanderen tot een ver verleden behoren. Nu reeds zijn onze steden in Europa “befaamd” voor de grote aantallen extreem-rechtse kiezers. Vlaanderen haalt het BBC-nieuws met de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen. Dit komt allerminst het imago van de Vlaamse steden als open steden tegemoet. Als liberaal zien we het electoraal terugdringen van het Vlaams Blok niet enkel als een principiële kwestie, maar ook als een absolute noodzaak om de sfeer van tolerantie te schapen waar onze steden nood aan hebben om economisch welvarend te zijn in de komende decennia.

Kansen en emancipatie

Het verhaal van de stedelijke renaissance klinkt als een opgefokt positivo-verhaal. Het baadt in optimisme: we beginnen met een kleurrijke Gay-pride, met welstelende nieuwe en gemotiveerde stadsinwoners, we willen iedereen laten proeven van de bevrijdende stadslucht, we roepen de Vlaming op verdraagzaam te zijn tegen elke prijs en we geven enpassant nog eens aan dat we hier met zijn allen welvarender van zullen worden.

Dit is een wondermooi verhaal, maar ook de ideale schietschijf voor links en rechts. Tolerant zijn betekend inderdaad nog niet dat moeilijk integreerbare migranten plots geïntegreerd zullen zijn in onze steden. Gentrification, het opkopen door middenklassers van woningen in kansarme wijken, maakt de kansarmen niet minder kansarm. Het doet de prijzen stijgen en zorgt eerder voor verdringing van armen naar concentratie in nog armere buurten.

Het is geenszins de bedoeling om deze aspecten te negeren. Integendeel. Wij willen enkel de logica omdraaien. Vandaag merken we dat de verschillende overheden, de stedelijke overheden inbegrepen, een beleid willen voeren die gefixeerd is op deze problemen van achterstelling. Ze voeren een steunbeleid naar achtergestelde wijken, ze voeren een integratiebeleid op maat van achtergestelde groepen zoals immigranten en kansarmen. Het beleid heeft te veel weg van een “armenbeleid”. Alle mogelijke ontwikkelingen in het stedelijk weefsel, zoals de gentrification worden als bedreigend tegengehouden. Slogans als “No more Yuppies please” of “Something smells like gentrification around here” met krijt op gerenoveerde woningen in Londense arbeiderswijken geklad, zijn hier een teken van. De nieuwe signalen worden niet meer opgevangen en de dynamiek van de stad voor nieuwe bewoners en nieuwe ondernemers wordt afgeremd.

“Een beleid voor de armen is een arm beleid” is een bekend gezegde in politieke middens. Wij willen die logica omdraaien en een stadsbeleid voeren dat ruimte laat voor de nieuwe dynamiek en in tweede fase sociaal inspeelt op de gevolgen van deze nieuwe dynamiek. Gentrification is een goede zaak voor de steden. Het is een teken van heropleving. Het klassiek sociaal huisvestingsbeleid moet zich hier aan aanpassen. Gerichte sociale woningen in bepaalde wijken, huursubsidies en aankooppremies naar inkomen en naar specifieke wijken kunnen ook bijdragen tot vermenging. Huisvestingsmaatschappijen zullen meer en meer met een rollend patrimonium moeten werken, woningen aan sociale prijzen verkopen om er nieuwe te bouwen of kopen in wijken die op dat moment een trend naar opwaardering kennen. Het doel kan dan niet langer meer zijn zoveel mogelijk sociale woningen meestal geconcentreerd in die wijken waar kansarmen wonen, maar vermenging van sociaal patrimonium tussen privé-renovatie door middenklassers, inspelend op de trends in de stad.

Ook het integratiebeleid in de steden moet de trend volgen. Richard Florida gaf in zijn
statistische analyses ook al aan dat de toenemende tolerantie in succesvolle steden geen wondermiddel is voor integratie. Afro-amerikanen bijvoorbeeld blijven professioneel uit de boot vallen, hoe tolerant ook de omgeving. Een sfeer van tolerantie is essentieel, een stringent integratiebeleid van de overheid is dat ook. De nieuwe economische activiteiten en de nieuwe sfeer in de stad zijn bovendien veeleisend voor de mensen, zowel professioneel als sociaal.

Wij pleiten dan ook om het huidig integratiebeleid dat veelal steunt op opvang, jongeren van de straat houden (het wordt wel eens een knuffelbeleid genoemd) … bij te sturen om er een emancipatiebeleid van te maken. Het respect voor de culturele eigenheid en de vrijheid om die te beleven moet samen gaan met integratie in onze westerse maatschappij. Individuele emancipatie aanmoedigen, immigranten aansporen om ook wat culturele eigenheid op te offeren om in de mainstream op te gaan, worden nog te veel als een taboe gezien, terwijl het de beste kansen zijn die men immigranten kan aanbieden om weerbaar te zijn in de moderne stad. Individuele emancipatie is net als het nieuw huisvestingsbeleid zoals hierboven geschetst een uitweg uit de concentratiewijken, uit de getto’s.

Of moeten we ons neerleggen bij getto’s en ze enkel beheersbaar houden en toekijken hoe jongeren uit onmacht daar een eigen subcultuur ontwikkelen? Heeft de liberale Vlaming jarenlang gevochten tegen die kenmerken van de verzuiling, de kerk, de normen en waarden van conservatief Vlaanderen die de individuele emancipatie belemmeren, om niet hetzelfde te durven voorstellen t.a.v. de culturen van de immigranten? Als we ervoor pleiten dat vrijgevochten inwoners van de steden, gesymboliseerd in een provocatieve Gay-pride, de beste troef zijn voor stedelijke herleving en economische welvaart, waarom zouden we die lijn niet doortrekken naar alle stedelingen en dus ook de migranten?

Als liberalen geloven in de toekomst van de Vlaamse steden en de stadscultuur in Vlaanderen willen bevorderen tegen dat in 2016 één van die steden de Olympische spelen zal ontvangen, dan moeten ze in eerste plaats liberaal durven zijn.

terug naar startpagina