Brussel op: www.basiliades.be

Johan Basiliades

De lotgevallen van het radicalisme in België
Het ontstaan, de opkomst en de ondergang van een negentiende-eeuwse links-liberale stroming

Verschenen in Een vierde weg? Links-liberalisme als traditie en als oriëntatiepunt (VUB PRESS, 2001);

1. Inleiding

Het grootste deel van de vandaag bestaande partijen vindt zijn oorsprong in de negentiende eeuw. De verleiding is dan ook groot om de politieke geschiedenis van de vorige eeuw te lezen als de langzame, maar gestage consolidatie van het huidige partijensysteem. De geschiedenis laat zich evenwel niet in dat voor de hand liggende patroon samendrukken. Zo is er bijvoorbeeld het opmerkelijke gegeven dat een van die traditionele partijen rond 1900 zelfs ophoudt te bestaan. Rond de eeuwwisseling is het liberale kamp verdeeld tussen doctrinairen en radicalen, waarbij die radicalen op vele plaatsen bondgenootschappen afsloten met de socialisten. Tussen 1887 en 1900 bestond er zelfs een Progressistische Partij.

In partijpolitieke termen gesproken is er niets overgebleven van die korte, maar hevige opflakkering van een radicale, progressieve of links-liberale stroming (1). Volgens Serge Chlepner, auteur van een klassiek werk over de Belgische sociale geschiedenis, Cent ans d’histoire sociale en Belgique (1956), lag de oorzaak daarvan bij de in ons land allesoverheersende klerikale-antiklerikale breuklijn en het daarmee gepaard gaande associationisme. De linksliberale stroming liep, net zoals diverse latere aanzetten tot democratische of progressieve frontvorming, hierop vast. In wat volgt schetsen we, aan de hand van Chlepners reconstructie van die cruciale periode uit de nationale politieke geschiedenis, het ontstaan, de opkomst en de ondergang van het liberale radicalisme in België.

2. Chlepner en het radicalisme

Serge Chlepner werd op zestienjarige leeftijd, na in de nadagen van het oproer van Sint-Petersburg van 1905 een jaar gevangenisstraf te hebben uitgezeten, als socialistisch samenzweerder uit het tsaristische Rusland verbannen. Vanuit zijn verbanningsoord Parijs trok hij naar Brussel waar hij studeerde aan de Université Nouvelle, een radicale en socialistische afsplitsing van de Université Libre de Bruxelles. Professoren aan die dissidente instelling waren onder meer de radicaal en latere socialist Edmond Picard, de succesvolle advocaat en leider van de radicalen Paul Janson, en de socialist Emile Vandervelde. De Université Nouvelle was een boeiend en succesvol experiment, dat evenwel een kort leven was beschoren. Omdat de katholieke regering de diploma’s niet wou erkennen, werd er in 1919 noodgedwongen opnieuw aansluiting gezocht met de ulb. Chlepner zal later hoogleraar worden aan diezelfde ulb, meer specifiek aan het door de verlichte patroon Ernest Solvay opgerichte Institut Solvay (Serge Chlepner, 1960, Kossmann, 1975: 236-238). Als jong econoom flirt Chlepner met het marxisme. Nadat hij dit beter bestudeerd had besefte hij, naar eigen zeggen, dat het concept van de klassenstrijd en de economische kijk op de geschiedenis weliswaar een belangrijke bijdrage tot het moderne sociaal-wetenschappelijke denken hadden geleverd, maar dat de economische theorieën van Marx waren voorbijgestreefd (Chlepner, 1956: 370, 415). In de inleiding van de in de Sovjet-Unie verschenen vertaling van zijn klassiek geworden geschiedenis wordt hij dan ook omschreven als ‘een bourgeois geleerde en socialist’.

Serge Chlepners sociale geschiedenis van België is doorweven met het verhaal van de radicale liberalen. Zijn boek is evenwel geen politieke geschiedenis van het radicale liberalisme. Wel geeft het, misschien nog het meest door de onmiskenbare ‘radicale’ sympathie van de auteur, een treffend beeld van de hoop en de aspiraties, de gevoeligheden, verwezenlijkingen en mislukkingen van de radicale stroming.

Chlepners sociale geschiedenis begint onvermijdelijk met het verhaal van de negentiende-eeuwse industrialisatie, proletarisering en armoede. Toch legt hij de nadruk op een, volgens hem, nog sprekender kenmerk van deze periode: de politieke en juridische ondergeschiktheid van de arbeidersklasse. Het kader waarbinnen de negentiende eeuwse politiek zich afspeelt is dat van het cijnskiesrecht. België was veruit het meest liberale land, met de meest vooruitstrevende grondwet en de grootste vrijheden. Toch konden er in 1848 – op een totale bevolking van vier en een half miljoen inwoners – maar 70.189 mannen stemmen. Slechts 726 Belgen kwamen in aanmerking voor een senaatszetel. De liberale grondwet was geschreven op maat van de burgerij, van wie verwacht werd dat ze het nieuwe land welvaart zou brengen. ‘Maar haar politiek monopolie mondde finaal uit, zoals ieder monopolie, in een instrument van onderdrukking en van verdediging van de eigen exclusieve belangen,’ schrijft Chlepner.

Ook juridisch was de grote massa van de bevolking ondergeschikt. Al waarborgde de grondwet de vrijheid van vereniging, de burgerij had aanvankelijk om economische redenen – de vrije arbeidsmarkt – en finaal om veiligheidsredenen – de angst voor oproer – de vrijheid van associatie op professionele basis verboden (Chlepner, 1956: 17-29, Basiliades, 1997). Daardoor werden het stakingsrecht en, meer algemeen, het verenigingsrecht, aan banden gelegd. In het licht van de latere geschiedenis is de strijd voor de opheffing van dat associatieverbod op professionele basis en van de daarmee gepaard gaande ontwikkeling van vakbonden en mutualiteiten daarom even belangrijk, zo niet belangrijker, dan de strijd voor het algemeen stemrecht.

‘Het meest opvallende kenmerk van de voorbije honderd jaar is de algemene trend tot organisatie en associatie,’ oordeelt Chlepner. ‘Het individu sluit zich meer en meer aan bij een groep die zijn belangen verdedigt en die door samenhorigheid een materiële en morele ondersteuning biedt in zijn existentiële strijd.’ (Chlepner, 1956: 417-419). In het denkkader van de negentiende-eeuwse liberalen en radicalen was er geen plaats voor die organisaties en verenigingen. Liberalen en radicalen stonden, wat dit betreft, in dezelfde individualistische traditie.
De ironie van de geschiedenis wil dat precies de radicalen, die een belangrijke bijdrage leverden aan de strijd voor het vrije verenigingsrecht, de eerste slachtoffers zullen worden van het oprukkende associationisme. In een tijd waar zuilen en massapartijen werden uitgebouwd, was het naar structuren en ingesteldheid hyperindividualistische radicalisme een anachronisme. Misschien kan de essentie van het radicalisme dan ook nog het best worden omschreven aan de hand van de dualiteit individualisme en sociaal engagement. We zullen zien dat de radicalen aan deze dualiteit ten onder gingen. Op sociaal-economisch vlak stonden ze een frontvorming voor met de socialisten en de christen-democraten. Op levensbeschouwelijk vlak stonden ze evenwel nog het dichtst bij de andere liberalen. Op die tegenstelling brak de radicale stroming. Sommigen kozen voor de Belgische Werkliedenpartij (bwp), terwijl anderen onderdak vonden in de herenigde en minder doctrinaire Liberale Partij. Een liberale partij die volgens Chlepner wel een stabiele factor in de politiek werd, maar nooit meer de jeugd en de intelligentsia heeft weten te mobiliseren zoals ten tijde van het radicalisme.

3. Het eerste radicalisme

Bij de onafhankelijkheid van België vonden de liberalen en katholieken elkaar in hun verzet tegen het protestants en autoritair bewind van Willem I, waarbij de liberalen zich opwierpen als de verdedigers van de vooruitstrevende grondwet en de burgerlijke vrijheden. Iets meer dan tien jaar na de onafhankelijkheid ebt die verstandhouding weg. De liberalen zijn nu misnoegd over de negatieve rol van de senaat, waarin een conservatieve en katholieke landadel de liberale kamer en regering tegenwerkt. Meer en meer zien ze de kerk als de georganiseerde tegenstander van de liberale staat. Op 14 juni 1846 komen, op aansturen van een aantal loges, de vertegenwoordigers van alle liberale kiesassociaties te Brussel samen om een partij op te richten en een programma goed te keuren. Het belangrijkste streefdoel is het verwezenlijken en verdedigen van ‘de onafhankelijkheid van de Openbare Macht’ (2). Een gematigd, maar ontegensprekelijk antiklerikalisme is wat de liberalen verenigt.

Op het vlak van het ‘arbeidersvraagstuk’ is de houding van de meerderheid van de liberalen evenwel niet verschillend van die van de katholieken: het sociaal-economische vraagstuk vormt geen breuklijn in het parlement. Ook al kunnen er in de hele negentiende eeuw voorbeelden van economisch interventionisme worden gevonden, niettemin bestond er een consensus dat de tussenkomst van de overheid in de relatie tussen werkgever en werknemer ongewenst was. Op het stichtingscongres van de Liberale Partij wordt evenwel duidelijk dat er zich een kloof aftekende tussen de opvattingen van enerzijds de doctrinaire en anderzijds de democratisch gezinde en soms sociaal vooruitstrevende radicale liberalen. De doctrinairen zagen het nut van een programma niet in: het zou de (cijns)kiezers afschrikken en het zou de verkozenen binden. De radicalen wilden daarentegen een zeer gedetailleerd programma. Bij wijze van compromis kwam een basisplatform van zes artikelen tot stand, waarin ook een aantal toegevingen aan de radicalen werden gedaan. Zo was er sprake van een verlaging van de cijns, een toevoeging van de capaciteitskiezers, en een zeer vage belofte iets te doen aan de ‘levensomstandigheden van de arbeidende en noodlijdende klasse’.

Tussen 1846 en 1870 vond er geen nieuw gezamenlijk congres van alle liberalen plaats. Een partijstructuur op nationaal vlak kwam er evenmin. De gematigde of doctrinaire liberalen, onder leiding van Theodore Verhaegen, vormden tijdens het kiescijnstijdperk de meerderheid van het liberale electoraat. Zij distantieerden zich van de radicale ideeën die veelal uit Frankrijk overwaaiden (Miroir, 1996, Luykx, 1985, Chlepner, 1956: 37-38). De radicale tendensen binnen de Liberale Partij onderscheidden zich in deze periode in de eerste plaats door een nog verregaander antiklerikalisme, door de eisen voor democratische electorale en fiscale hervormingen en, pas daarna, door de aandacht die ze vroegen voor de sociale kwestie. Het is vooral buiten de Liberale Partij, op meetings en in kranten die vaak een kort maar hevig bestaan leidden, dat sociale hervormingen werden bepleit. De inspiratie daarvoor werd gevonden in de democratische en vroegsocialistische sfeer rond de gebeurtenissen in 1848 in Parijs (3).

Het Belgisch Parlement stond in de periode 1850 en 1886 zeer terughoudend ten aanzien van sociaal interventionisme: overheidstussenkomst zou onvermijdelijk uitmonden in communisme. Zelfs de zeer voorzichtige pogingen van Charles Rogier om een spaar- en pensioenkas op te richten werden afgedaan als ‘socialisme’. Sociale onrust was steevast het werk van socialistische agitatoren. Het Parlement bleef dan ook doof voor de sociale kwestie (4).

4. De opkomst van de democratische krachten

Omstreeks 1860 komt er overal in Europa een nieuw elan in de democratische beweging. We moeten, aldus Chlepner, steeds voor ogen houden dat in deze periode democratische bewegingen, progressisten, socialisten en zelfs nationale bewegingen niet altijd even duidelijk van elkaar konden worden afgelijnd. Wat België betreft, merkt hij op dat de tegenstelling tussen klerikalen en antiklerikalen wel zeer snel tot een tweedeling in de democratische beweging zal leiden, tussen enerzijds de progressisten en socialisten en anderzijds de christen-democraten (Chlepner, 1956: 66). Een tegenstelling die vrij snel ook de Vlaamsgezinde beweging zal verdelen.

4.1 De mislukte democratische frontvorming

Chlepner betreurt dat de klerikale breuklijn in België niet, zoals elders, door de sociale breuklijn werd weggedrukt. De gevolgen daarvan laten zich zowel in het conservatieve als in het progressieve kamp voelen. ‘Het is de katholieke godsdienst die in tegenstelling tot wat katholieke staatslieden en een aantal liberale economen een hele eeuw lang wensten, de bundeling van conservatieve krachten heeft belet. Maar het is ook diezelfde godsdienst die de bundeling van de democratische en sociale bewegingen in de weg stond. De verschillende componenten hebben van tijd tot tijd op het politieke en economische terrein goed samengewerkt, maar ze zijn ook altijd duidelijk van elkaar gescheiden gebleven.’ (Chlepner, 1956: 173)

In 1865 schreef de krant La Liberté, het dagblad van radicale liberalen als Janson, Picard en Jottrand, dat de klerikaal-liberale vetes voorbijgestreefd waren. ‘Een oplossing voor het klerikaalliberale vraagstuk brengt geen rechtstreekse verbetering in de levensomstandigheden van de massa’s met zich mee. Aangezien in onze ogen deze verbetering ons politiek hoofddoel is, zullen wij steeds de zijde kiezen van diegenen die hieraan serieus werken, zonder ons af te vragen achter welk bannier ze zich in andere aangelegenheden scharen.’ Sommige radicalen aarzelden niet om electorale afspraken te maken met christen-democraten. In de periode na 1878, toen een beperkt aantal radicalen hun intrede in het parlement deden, en ook Paul Janson in Brussel op de liberale lijst werd verkozen, bestookten de radicalen samen met de katholieken de doctrinaire regering van Frère-Orban en brachten deze ten val. De hevigste discussies in de Kamer vonden dan ook vaak plaats tussen de aartsvijanden en boegbeelden van respectievelijk de doctrinairen en radicalen, Frère-Orban en Janson (Chlepner, 1956: 163-164, Luykx, 1985: 172, Vercauteren, 1969: 183-184). Tussen 1878 en 1914 werden er regelmatig ‘alternatieve’ parlementaire meerderheden van de zogenaamde ‘democraten’ (radicalen, socialisten en christen-democraten) gevormd als er moest gestemd worden over democratische of sociale wetgeving.

Desalniettemin slaagden de radicalen er niet in de levensbeschouwelijke tegenstellingen blijvend te overstijgen. Meer nog, het antiklerikalisme bleef als bindmiddel tussen de liberalen fungeren, zelfs nadat ze zich tussen 1887 en 1900 organisatorisch in twee partijen opsplitsten. We mogen niet vergeten dat nogal wat radicale liberalen, ondanks hun democratische en sociaalvoelende overtuigingen, in eerste instantie een nog compromislozer antiklerikalisme voorstonden. Chlepner merkt op dat het niet anders was in het socialistische kamp. Hij citeert Louis De Brouckère, die erover klaagde dat te veel socialisten meer antiklerikaal dan socialist waren en niet aarzelden om in de strijd tegen de hegemonie van de katholieken ook samen te werken met de meest kapitalistische onder de liberalen (Chlepner, 1956: 188).

Bovendien, en hier komen we bij een van de voornaamste conclusies van Chlepner, woog het netwerk van verenigingen reeds in de periode 1880-1900 zwaarder door dan de occasionele samenwerking over de levensbeschouwelijke grenzen heen. Het associationisme (lees: de verzuiling) was al diep in de samenleving gedrongen en bepaalde de indeling van het politieke landschap ingrijpender dan de latere sociale kwestie. De katholieke regeringen kozen tussen 1886 en 1914 resoluut voor het systeem van de gesubsidieerde vrijheid in de sociale bescherming van de arbeidende klasse. Dit betekent dat niet de overheid deze bescherming op zich nam, maar dat de overheid financiële steun verleende aan organisaties die een verzekering aanboden tegen ziekte, werkloosheid of invaliditeit. Deze voornamelijk katholiek of socialistisch
gekleurde organisaties sloten zich aaneen om zo gaandeweg twee grote maatschappelijke zuilen te vormen.

4.2 De nationale versus klerikale breuklijn of het flamingantisme van de radicalen

In vele gevallen was de verstrengeling tussen progressief-liberale, socialistische en nationale bewegingen groot, aldus Chlepner. Chlepner heeft voor de rest weinig aandacht voor nationale bewegingen, in casu de Vlaamse beweging in België. De eerste
vermelding van de Vlaamse beweging tref je aan naar aanleiding van de analyse van het autoritarisme in het interbellum. Je zou dus kunnen verwachten dat Chlepner, als Franstalige en vrijzinnige Brusselaar, met de collaboratieperiode nog vers in het geheugen, de Vlaamse beweging als in essentie klerikaal en ondemocratisch zal veroordelen. Maar ook hier lijkt Chlepner nog voeling te hebben met het radicalisme van rond de eeuwwisseling dat uitgesproken Vlaamsgezind was. Heeft hij die beweging leren kennen aan de Université Nouvelle, waar heel wat van de professoren sympathiek stonden tegenover de Vlaamse beweging? Hij vervalt hoe dan ook niet in veralgemeningen over het flamingantisme. Zo schrijft hij: ‘De Vlaamse beweging, die vóór 1914 vooral een liberaal en democratisch karakter vertoonde, heeft zich vervolgens, vooral vanaf de jaren ’30 geheroriënteerd naar het fascisme en racisme. We spreken hier uiteraard van de extreem-rechtse vleugel van deze beweging. In werkelijkheid was het sociale draagvlak waarop deze vleugel zich trachtte te ontwikkelen, niet hetzelfde als het sociale draagvlak waarop de Vlaamse beweging zich vóór de eerste wereldoorlog beriep. We moeten hier echter ook rekening houden met de besmetting door een aantal externe ideologieën.’ (Chlepner, 1956: 344)

Het radicalisme was in de negentiende eeuw onlosmakelijk verbonden met het flamingantisme, niet enkel bij de Vlaamse radicalen uit Antwerpen (denk aan de Meeting en aan vader en zoon Van Rijswijck), in Gent met Moyson of Snelaert, maar ook bij de overwegend Franssprekende burgerij in Brussel: vader en zoon Jottrand, Edmond Picard, Graux, Buls, Paul Janson en zelfs later zijn zoon Paul-Emile Janson. Maar die band was er ook tussen het flamingantisme en de christen-democratie. Het flamingantisme paste dus in de strijd van democratische krachten tegen de doctrinaire liberale regeringen of stadsbesturen. Ook de eerste socialisten sloten vanzelfsprekend aan bij dit flamingantisme. Een Moyson vond zelfs de weg naar het socialisme vanuit zijn Vlaams engagement, maar we kunnen hier evengoed verwijzen naar César De Paepe en vele anderen. De Vlaamse beweging was verstrengeld met de democratische beweging, zoals Chlepner ze beschrijft.

Maar ook hier heeft de specifiek Belgische intensiteit van de klerikaal/antiklerikale tegenstelling de bundeling van Vlaamsgezinde krachten belet, net als de bundeling van de daar in grote mate mee samenvallende democratische krachten. Zo merkt Lode Wils, historicus van de Vlaamse beweging, op dat de BWP het hele programma van de radicalen overnam en radicaliseerde: het antikapitalisme, het antiroyalisme, de antigodsdienstigheid, het antimilitarisme en de democratische eisen. Het flamingantisme van de radicalen wezen deze socialisten evenwel reeds zeer vroeg af. De BWP – met enkele uitzonderingen die ook vandaag nog door de Vlaamsgezinde socialisten in de verf worden gezet (5) – zag, in tegenstelling tot de radicalen, in de Vlaamse strijd niet langer een volksstrijd, maar vooral een klerikaal wapen om de volksmassa af te leiden van de sociale kwestie (Wils, 1994, Hancké, 1993).

Het wegebben van de radicale stroming in België tussen 1900 en 1914 en de socialistische afkeer van de Vlaamse eisen, maakte dat de ‘nationale’ breuklijn die volgens Lipset en Rokkam (6) haar oorsprong vindt in de creatie van nationale staten, maar die in Vlaanderen in grote mate samenviel met de sociaal-economische breuklijn, later alleen in de christen-democratie en de Vlaamsnationale partijen een rol van betekenis zal blijven spelen.

5. Het hoogtepunt van het radicalisme

5.1 De eerste afzonderlijke structuren

De radicalen binnen de liberale partij behoorden tot de burgerlijke en intellectuele milieus. Er bestaat een duidelijk verschil in stijl en thematiek tussen de radicalen uit de jaren zestig en zeventig enerzijds en de radicalisering van hun beweging in de jaren tachtig anderzijds. In 1858 kwamen er voor het eerst twee ‘jonge liberalen’ in de kamer. Tot 1878 zal hun aantal niet aangroeien en hun politieke rol in het nationale parlement was in deze periode hoe dan ook beperkt. De rol van de radicalen op lokaal niveau en binnen de Liberale Partij was daarentegen groot en bewogen.

We moeten uiteraard het begrip partij in deze periode in haar juiste context blijven plaatsen. De Liberale Partij, dat waren eerst en vooral de liberale verkozenen in de Kamer en de Senaat. Die verkozenen – en niet een of andere partijstructuur – vormden als het ware de enige band op nationaal niveau tussen de liberalen uit de verschillende arrondissementen. Hun gemeenschappelijk programma werd tussen 1846 en 1870 niet gewijzigd. Toen er na de liberale nederlaag van 1870 toch een tweede liberaal congres plaatsvond, was dit louter om enkele minieme actualiseringen door te voeren aan het reeds uiterst beperkt programma van 1846 (7).

Op lokaal niveau bestond de liberale partij uit kiesassociaties die de kandidaten van de liberalen bij nationale en lokale verkiezingen aanduidden. Reeds in de periode 1847–1848 hadden de radicalen, uit onmin met het overwicht van de doctrinairen in de kiesassociaties, eigen kiesverenigingen opgericht die ook toegankelijk waren voor niet-kiezers (mensen die niet de nodige cijns betaalden om kiesrecht te krijgen). Deze associaties waren evenwel van korte duur. De liberale kiesassociaties waren doorgaans in handen van de meer conservatieve liberalen. Zij beschouwden, terecht in de context van het cijnskiesrecht, de radicalen vooral als de vertegenwoordigers van de niet-kiezers. Het programma dat de radicalen probeerden door te duwen stootte bovendien heel wat cijnskiezers af, zo meenden de doctrinairen.

Vanaf 1863 beginnen de radicalen, los van de liberale associaties, zelf meetings te organiseren. Dit was een totaal nieuwe wijze van politiek voeren en van organiseren, die gaandeweg aan invloed zou winnen. Deze meetings richtten zich zowel tot kiezers als niet-kiezers. Uit deze meetings groeiden parallel progressieve naast de liberale associaties, zodat er in heel wat steden na verloop van tijd twee liberale kringen bestonden: een radicale en een gematigde of doctrinaire. Meerdere pogingen, tussen 1865 en 1880, om deze radicale kringen op nationaal vlak te verenigen mislukten (8). Dit mag ons niet uit het oog doen verliezen dat de voornaamste politieke tegenstelling nog altijd die tussen katholieken en liberalen was en dat deze radicalen doorgaans, zelfs indien ze afzonderlijk ‘gestructureerd’ waren, tot de liberale familie werden gerekend. Meestal waren de kiesgerechtigde radicalen tezelfdertijd lid van hun eigen kring en van de plaatselijke liberale associatie, waarbinnen ze een soort drukkingsgroep vormden. Bij verkiezingen kwamen de radicalen dan weer eens alleen op, dan weer samen met de doctrinairen, naargelang de plaatselijke context en de plaatsen die ze op de lijst kregen. Er was ook niet zoiets als een lidmaatschap. Heel wat politici, schrijft Chlepner, begonnen hun carrière in de radicale vleugel van de partij, maar voegden zich geleidelijk aan bij de rangen van de conservatieve of doctrinaire vleugel. Een aantal anderen, een minder talrijke groep, evolueerde in de richting van de socialistische partij (Chlepner, 1956: 164).

Ook de grens tussen radicalen en socialisten was niet helemaal duidelijk. Vóór de eigenlijke oprichting van de BWP maakten heel wat mensen die als socialist bekendstonden, deel uit van progressieve en zelfs liberale verenigingen. Dit was niet verbazend, omdat de grenzen tussen de ideologische opvattingen nog niet heel duidelijk waren en de identificatie met de toenmalige linkerzijde belangrijker was dan de partijopvatting. Bovendien boden in het cijnskiesrechttijdperk alleen deze liberale verenigingen enig uitzicht op een mandaat waardoor reële politieke invloed kon worden uitgeoefend. Zo werd in 1884 de kandidatuur van César De Paepe, theoreticus van het Belgisch socialisme, nog aan de liberale kiesassociatie van Brussel voorgelegd. Het begrip politieke partij was nog vaag en niet-exclusief. Ook in de daaropvolgende jaren, na 1880 tot 1914, toen er een echte socialistische partij ontstaan was, toen het algemeen meervoudig stemrecht de socialisten in het parlement bracht en de sociale kwestie hoog op de politieke agenda stond, bleef de levensbeschouwelijke breuklijn het politieke landschap bepalen. De opeenvolgende liberaalsocialistische verkiezingskartels voor het algemeen stemrecht, waarin de radicalen een cruciale rol speelden, vormen hiervan een voorbeeld.

De thema’s van de eerste generatie radicalen pasten nog zeer goed binnen de toenmalige parlementaire polemieken. Zij hadden het over een beperkte uitbreiding van het kiesrecht, de scheiding van kerk en staat, de inrichting van het onderwijs, de leerplicht, en over de vraag of gelovigen en niet-gelovigen op dezelfde begraafplaatsen mochten rusten, wat op dat ogenblik een van de meest ophefmakende thema’s was. Op sociaal gebied brachten een aantal radicale verkozenen thema’s als de reglementering van de kinderarbeid, het recht op arbeidersverenigingen en de afschaffing van de verplichte arbeidersboekjes in het parlement ter sprake. Ook in de sociale kwesties was de tegenstelling tussen klerikalen en antiklerikalen nooit ver weg. Zo stonden de katholieken huiverig tegenover de reglementering van de kinderarbeid, onder meer omdat ze vreesden dat de invoering van de leerplicht tot gevolg zou hebben dat er een tekort aan onderwijsinstellingen ontstond, wat dan tot een uitbreiding van het officiële scholennet zou leiden (9). Volgens Chlepner is het alleszins de historische verdienste van de radicalen dat ze het parlement ten aanzien van de sociale problemen voor zijn verantwoordelijkheid hebben gesteld. Hun invloed was evenwel te klein en hun electorale kracht te onbeduidend om concrete resultaten te boeken (Chlepner, 1956: 68).

5.2 De scheuring

Vanaf de jaren tachtig zal de tegenstelling tussen radicalen en doctrinairen verscherpen en tot een langdurige breuk binnen de liberale familie leiden. De aanleidingen hiertoe zijn veelvoudig: de houding van de liberale regering-Frère-Orban tegenover de voorstellen tot uitbreiding van het kiesrecht, de electorale nederlaag van 1884, een nieuwe jonge dynamiek en stijl bij de radicalen, de persoon van Paul Janson, de opkomst van de socialisten, de sociale onlusten van 1886 en, meer algemeen, het steeds acuter worden van de sociale kwestie.

De laatste liberale regering

In 1878 veroverden de liberalen opnieuw de meerderheid in de Kamer. De regering-Frère-Orban begon onmiddellijk met de herziening van de katholieke wetten op het onderwijs en ontketende aldus een schooloorlog. De houding van de radicalen veranderde tijdens deze regeerperiode ingrijpend en is symptomatisch voor de evolutie die ze in de daaropvolgende jaren zullen doormaken. In een eerste fase verweten de radicalen de regering nog een te lakse houding ten aanzien van de aanwezigheid van de clerus in de scholen. Gaandeweg week deze overwegend antiklerikale ingesteldheid evenwel voor democratische en sociale eisen. Vooral vanaf 1881 en onder impuls van Paul Janson verschoof het accent. Vanaf dan verweten de radicalen de regering een gebrek aan initiatief inzake de uitbreiding van het stemrecht, inzake de leerplicht en de arbeidsreglementering. De sfeer werd steeds grimmiger binnen de liberale fractie en tussen Janson en Frère-Orban in het bijzonder (Lefevre, 1996b).

De verkiezingen van 10 juni 1884 waren een ramp voor de liberalen. In Brussel gingen, als gevolg van de verdeeldheid, alle zetels verloren ten voordele van de bij de katholieken aanleunende ‘Parti Indépendant’. Radicalen en doctrinairen gaven elkaar de schuld voor het verlies. Maar de verkiezingsuitslag en de verwijzing naar de oppositie maakten ook dat de radicalen zich bevrijd voelden van hun verplichte steun aan de regering. Ook dit zou zich laten gevoelen.

Een nieuwe stijl

De politiek-filosofische liberale traditie is rijk maar ook zeer verscheiden. Zo onderscheiden politicologen twee hoofdstromen binnen de liberale politieke filosofie: een klassiek of utilitair liberalisme en een emancipatorisch of ontplooiingsliberalisme. De twee liberale hoofdstromen onderscheiden zich op nogal wat punten van elkaar: ze houden er een andere vrijheidsconceptie op na, het ene beziet de wereld vanuit het oogpunt van de handelaar op de markt, terwijl het andere het over individuele autonomie en creativiteit heeft; het ene spiegelt zich aan de traditie van de Verlichting, het andere aan die van de Romantiek; het ene is bezitsindividualistisch, het andere egalitair (Kinneging, 1993, Rosenblum, 1987). Hoe nuttig die modellen ook zijn, de geschiedenis laat er zich nooit eenduidig in vangen. Dat is ook zo voor het Belgische radicalisme: al heeft het finaal veel meer gemeen met het negentiende-eeuwse wetenschappelijk positivisme, de wortels ervan liggen toch veeleer in de Romantiek. De historicus E.H. Kossmann kadert het Belgisch radicalisme in een culturele trend. ‘Het merkwaardige aan de jaren tachtig was dat de tijdgenoten veel sterker dan in de vorige tijdvakken de indruk hadden te leven in het meest opwindende decennium van de eeuw, waarin fundamentele beslissingen zouden vallen.’ (Kossmann, 1975: 227) Opmerkelijk was dat deze generatie aanvankelijk totaal apolitiek was, zelfs antipolitiek. Het ging in oorsprong om een culturele beweging van l’art pour l’art, zonder opmerkelijk maatschappelijk engagement of betrokkenheid bij de sociale kwestie. Het ging bij de – van huisuit meestal tot de burgerij behorende – ‘symbolisten’ en ‘decadenten’ veeleer om een vage en onbestemde afkeer van de burgerlijke levenswijze en idealen. Het is onder impuls van sterke persoonlijkheden, zoals de radicaal Edmond Picard en diens tijdschrift L’art moderne, dat deze romantische culturele stroming ook sociaal bewust werd en in het vaarwater terechtkwam van het realisme, naturalisme en socialisme.

Zelfs de meest progressieve liberalen werden door deze nieuwe generatie langs links voorbijgestoken. Deze jonge radicalen wilden niet langer de tussenweg tussen liberalisme en socialisme bewandelen. Ze beschouwden deze systemen als voorbijgestreefd. ‘Door de nadruk zozeer op het opportunisme en het onsystematische van hun politiek te leggen konden de radicalen van de jaren tachtig zich onderscheiden van de links-liberalen van de jaren zestig en zeventig. Die immers wilden van het liberalisme juist een systeem maken.’ (Kossmann, 1975: 248). Voor de nieuwe radicalen was de ware politicus immers geen systematicus, maar een kunstenaar die geen politiek stelsel voor ogen houdt, maar wel enkele belangrijke waarheden of axioma’s, zoals het streven naar gelijkheid. Waren het dan toch socialisten? Janson noemde zichzelf in de Kamer in 1895 als lid van de liberale groep nog ‘socialist’ en definieerde zijn socialisme als de strijd voor gelijkheid en rechtvaardigheid binnen de grenzen van het mogelijke. Dit principieel pragmatisme onderscheidde hem evenwel van de socialisten.

Paul Janson en het verlicht algemeen stemrecht

In deze periode profileert Paul Janson zich als de onbetwiste leider van het radicalisme. Hij was een succesvol advocaat en een groot redenaar, behorend tot de gegoede burgerij. Janson stond helemaal in de traditie van het positivisme en het rationalistisch vooruitgangsdenken. Voor hem was politiek geen zaak van intuïtie, maar van wetenschap. Jansons strijdthema was dat van het ‘verlicht’ algemeen stemrecht. Hij was ervan overtuigd dat enkel wie daartoe intellectueel bekwaam was, zijn democratische plicht kon uitoefenen. Janson radicaliseerde de logica van het capacitaire kiessysteem: in plaats van het stemrecht te beperken, stond hij een uitbreiding van het aantal ‘bekwame’ kiezers voor. In eerste instantie pleitte hij voor stemrecht voor al wie kon lezen en schrijven. Later zou hij zonder meer het algemeen enkelvoudig stemrecht verdedigen, echter zonder de ‘verlichte’ visie die hij hierop had te wijzigen. Hij verbond van meet af aan het bekwaamheidskiesrecht aan de leerplicht, hetgeen Charles Woeste, de leider van de Katholieke Partij, deed opmerken dat door die beide eisen aan elkaar te koppelen, Janson eigenlijk voor het algemeen stemrecht pleitte. De strijd voor het stemrecht was voor Janson vanzelfsprekend ook een sociale strijd. Wat is, oordeelde Janson, de zin van de leerplicht als de toegang tot het onderwijs, zowel rechtstreeks (de prijs van het onderwijs) als onrechtstreeks (het gederfde loon voor de families), te kostelijk is. ‘Het onderwijs is enkel toegankelijk voor de kinderen van de proletariërs indien ook hun materieel welzijn gewaarborgd is. Zonder een herverdeling van de rijkdom overeenkomstig het rechtvaardigheidsbeginsel lijkt het mij een inconsequentie te zijn om voedsel voor de geest te leveren aan diegenen die geen voedsel hebben om te leven,’ schrijft hij (10). Het onderwijs diende dus niet enkel gratis
te zijn, de leerplicht moest samengaan met een uitgebreid pakket van sociale maatregelen en arbeidsreglementering. Om te voorkomen dat de nieuwe kiezers klerikaal kiesvee zouden worden moest, aldus Janson, het onderwijs uiteraard verplicht lekenonderwijs zijn. In die zin was de strijd voor het stemrecht indirect ook een antiklerikale strijd.

Hoezeer zijn strijd voor het stemrecht, leerplicht en arbeidsreglementering in het cijnsparlement van 1877 ook een revolutionaire strijd leek, Janson was – zoals het overgrote deel van de radicalen – toch vooral een realist die steeds de weg van het haalbare wou bewandelen. ‘Hij was een voorzichtig staatsman wiens politiek van het mogelijke door de omstandigheden onmogelijk werd gemaakt.’ (Kossmann, 1975: 248) De verwachtingen van de socialisten waren bij zijn eerste verkiezing dan ook hooggespannen. Maar zijn bereidheid tot compromis en verzoening met de doctrinaire liberalen – vooral uit strategische overwegingen – werden hem niet in dank afgenomen.

Het jaar 1886

In 1886 bereikte de economische depressie een dieptepunt. Van 18 tot 24 maart braken er wilde stakingen uit in Luik en vervolgens in Charleroi. Het leger werd ingezet om de onlusten te bedwingen. Vierentwintig arbeiders vonden de dood tijdens confrontaties. Volgens Chlepner brachten deze onlusten het hele mechanisme van interventionisme in sociale aangelegenheden op gang. De sociale kwestie drong het parlement binnen. In een eerste fase werd er louter repressief gereageerd. De burgerij was geschokt door het arbeidersgeweld. De onlusten waren, zo was de gangbare mening, aangestoken door provocateurs; onlusten werden steevast door overmatig alcoholverbruik verklaard. Het besef ontbrak dat het hevige oproer zijn oorsprong vond in de ellendige arbeids- en levensomstandigheden. Het voltallige parlement, op Paul Janson na, stemde – onder druk van de gebeurtenissen – in 1892 nog een wet die de straffen voor stakers aanzienlijk verzwaarde en vooral de strafbaarheid aan de willekeurige interpretatie van rechters overliet. In 1866 was de wet op het coalitieverbod weliswaar afgeschaft, maar het stakingsrecht werd nog voor geruime tijd aan banden gelegd.

Toch vormt 1886 een scharnierdatum in de politieke geschiedenis. Ten gevolge van de onlusten wordt er bij Koninklijk Besluit een parlementaire onderzoekscommissie opgericht om de problemen van de arbeidersklasse te onderzoeken. Voor het eerst werden er ook openlijke socialisten in opgenomen. Vanaf 1886 worden er heel wat thema’s in het parlement bespreekbaar: kinderarbeid, sociale verzekeringen en zelfs het stemrecht. Progressisten, christen-democraten en socialisten vormen tussen 1892 en 1914 regelmatig alternatieve meerderheden rond sociale voorstellen. Een andere evolutie was vermoedelijk net zo belangrijk. De Katholieke Partij, die zolang ze in de oppositie zat bevreesd was voor een machtige lekenstaat, gaf, nu ze zich voor een lange periode verzekerd zag van de macht, gaandeweg haar verzet tegen het interventionisme op. Meer nog, voortaan bevorderde de partij, in het belang van de ‘zuil’, actief het overheidsinterventionisme (Chlepner, 1975: 212-213, Basiliades, 1997: 76).

De Progressistische Partij

In 1884 was er een breuk ontstaan in de Brusselse kiesvereniging. Voor één keer waren het niet de progressisten die zich afzonderlijk gingen organiseren. De progressieven haalden een meerderheid in de Association Liberale en Paul Janson werd voorzitter. Een groot aantal liberalen verliet daarop de Association en stichtte een eigen Ligue Libérale. De verbittering als gevolg van de nederlaag van 1884, de scheiding in stijl en in de geesten, de onenigheden over de sociale kwestie en het stemrecht, en de persoonlijke conflicten, maakten dat de tegenstellingen nu onoverbrugbaar leken. Nadat de laatste verzoeningspogingen tussen de Association en de Ligue faalden, beslisten de radicalen in 1887 tot het samenroepen van een Vooruitstrevend Congres, waar de Progressistische Partij werd opgericht. De stichting was dus niet het gevolg van een lang op voorhand uitgedachte strategie met het oog op partijpolitieke herverkaveling. Het was tot op zekere hoogte een wanhoopsdaad van de radicalen die, na de omwentelingen van 1886, geen heil meer verwachtten van de doctrinaire partij. In de praktijk zullen de progressisten evenwel nog vaak, naargelang de verkiezing, samen lijsten vormen met de liberalen. De nieuwe partij kon rekenen op de steun van een elite van de liberale burgerij. De voorstellen van de Progressistische Partij waren in eerste instantie gericht op politieke thema’s. De maatregelen waren van wettelijk regulerende aard en niet revolutionair, ook niet in sociale kwesties (Lefevre, 1996a, Stengers, 1996, Chlepner 1956: 163-168, Luykx, 1985: 181-182). Het Vooruitstrevend Congres van 1887 pleitte voor de uitbreiding van het stemrecht tot al wie kon lezen en schrijven11, voor de leerplicht, voor progressieve inkomstenbelasting, voor reglementering van de kinderarbeid, voor de aansprakelijkheid van de werkgever bij arbeidsongevallen, voor de wettelijke erkenning van de werknemersorganisaties en voor andere maatregelen ter bescherming van de arbeiders. De progressisten spraken zich ook uit voor democratische kredietverlening, een herziening van de wet op de handelszaken die meer overheidscontrole toeliet, afschaffing van het lotelingensysteem (en dus voor persoonlijke dienstplicht) en voor de gelijkheid van de twee nationale talen. Natuurlijk bepleitte het congres ook opnieuw de volledige scheiding van kerk en staat. Het was overigens opvallend hoe ook socialisten als César De Paepe actief deelnamen aan dit congres. De Paepes voorstel om een aantal resoluties uit het programma van de BWP over te nemen werd op applaus onthaald, maar werd uiteindelijk weggestemd met het argument dat alle sociale bekommeringen voldoende behouden waren in de eigen teksten.

Het Vooruitstrevend Congres van 1894 vond plaats één jaar na het invoeren van het meervoudig algemeen stemrecht. Het Congres verruimde, concretiseerde en radicaliseerde het programma. Voortaan zouden politieke partijen regelmatig programmacongressen houden, waar gedetailleerde politieke voorstellen werden besproken en eisenprogramma’s opgesteld. Duidelijker en meer gedetailleerde programma’s hadden de bedoeling de nieuwe kiezers te overtuigen. Ook opvallend op het Vooruitstrevend Congres van 1894 was het pleidooi voor een grotere rol van de overheid. ‘Dit programma bevatte de uitbouw van een heel publiek domein dat voor ons vandaag niet bijzonder lijkt, maar dat in 1894 omzeggens ondenkbaar was,’ schrijft Chlepner. Zo deed het congres voorstellen over verplichte sociale verzekeringen inzake werkloosheid, ziekte en invaliditeit. De overheid – de nationale staat, de gemeenten en provincies – moest de spoorwegen, kanalen, wegen, bruggen en koolmijnen terugkopen. De Nationale Bank moest een staatsbank worden en de spaarkas (aslk) moest verder worden uitgebouwd. Thema’s die men veeleer van de socialisten kon verwachten en die vóór de onlusten van 1886 in liberale burgerlijke milieus hoogst ongewoon waren (Chlepner, 1956: 166).

5.3 De hereniging

De parlementaire rol van de liberalen was quasi uitgespeeld tussen 1894 en 1900, niet zozeer als gevolg van het algemeen meervoudig stemrecht, maar vooral omwille van het meerderheidsstelsel. Daardoor behaalden de socialisten, met minder stemmen, in het totaal veel meer zetels. De radicalen slaagden erin om, dankzij een aantal lokale kartels met de socialisten, toch nog enigszins vertegenwoordigd te blijven. Pas de invoering van het evenredigheidsstelsel zal, vanaf 1900, de liberalen opnieuw op de politieke kaart zetten.

De Progressistische Partij werd nooit formeel opgeheven, net zomin als de hereniging van de verschillende liberale fracties aan een precies moment is gebonden. Wel is er, vanaf 1900, sprake van een toenadering. Ook de doctrinairen gingen zich heroriënteren. Op hun liberaal congres van 1894 werkten ze voor het eerst een echt programma uit, zoals ook de andere partijen hadden gedaan. Zo kozen ze voor een systeem van progressieve inkomstenbelastingen, voor (beperkte) arbeidsregulering en voor aansprakelijkheid van de werkgever bij arbeidsongevallen. Hoofdthema van het liberaal congres was het beklemtonen van het belang van ‘privé-bezit’, waarbij de doctrinairen iedere vorm van collectivisme als taboe beschouwden. Ook de radicalen waren voorstanders van het privé-bezit, maar zagen hierin geen beletsel om het publiek domein verder uit te bouwen. Het nieuwe programma van de liberalen was dus niet radicaal, maar toch vernieuwend in vergelijking met de liberale standpunten in Kamer en Senaat vóór 1886.

Ook al omdat, na de doorbraak van de BWP bij de verkiezingen van 1894, een aantal radicalen de overstap naar de socialisten zetten, werden de tegenstellingen tussen de overgebleven radicalen en de doctrinairen kleiner. De doctrinairen aanvaardden de radicale voorwaarden om tot verzoening te komen, namelijk de strijd voor het algemeen enkelvoudig stemrecht en de linkse kartelvorming met de socialisten. Op 21 december 1900 kon onder invloed van de jonge liberaal Paul Hymans een gezamenlijk liberaal programma worden opgesteld en de eenheid worden
hersteld. Het programma voorzag naast het afwijzen van het algemeen meervoudig stemrecht, ook de invoering van de leerplicht. Dit kwam in grote mate tegemoet aan de eisen van de radicalen. Op sommige plaatsen, zoals in Brussel, bleven de associations en ligues nog een tijdje afzonderlijk voortbestaan om dan uiteindelijk langzaam te verdwijnen. Van 1900 tot 1914 zal de politieke strijd van het linkse kartel volledig in het teken staan van de omverwerping van de klerikale regering. Het oude bindmiddel bewees opnieuw zijn diensten.

6. Slotbeschouwingen

Het verdwijnen van de Progressistische Partij werd door de radicalen niet als een tragisch gebeuren ervaren, omdat partijvorming nooit hun primaire ambitie was. Chlepner wijst erop dat we a posteriori de betekenis van de radicalen en van de Progressistische Partij evenwel niet mogen beperken tot hun voortrekkersrol in de strijd voor het algemeen stemrecht. De doctrinair-liberalen verweten de radicalen dat ze onervaren en impulsief waren en dat ze de liberale beweging electorale schade toebrachten door de afscheuring en door het afschrikken van het gematigde kiespubliek. Als historicus en vanuit een langetermijnperspectief, stelt Chlepner dat de progressisten lange tijd het enige vernieuwende en toekomstgerichte geluid vormden in het Belgisch parlement. De progressieven en radicalen wisten de meest genereuze krachten van de burgerij warm te maken voor de nieuwe sociale thema’s.
Ze leverden de intellectuele input en mankracht voor de socialistische partij. Ze hebben, aldus Chlepner, kunnen beletten dat de liberale partij na 1900 op haar oude stellingnames zou vastroesten.

Chlepner stelt zich de vraag hoe het komt dat de progressisten, die een parlementaire rol van belang hebben gespeeld, vandaag nog louter een voetnoot in de politieke geschiedenis vormen, terwijl de christen-democraten, die aanvankelijk ook niet meer waren dan een kleine rebellerende factor binnen het conservatieve kamp, wel zijn kunnen uitgroeien tot een heuse politieke en maatschappelijke kracht. Het antwoord ligt, volgens hem, voor de hand: de christen-democraten hebben, net als de socialisten, een netwerk van organisaties uitgebouwd, daartoe aangemoedigd door de politiek van ‘gesubsidieerde vrijheid’ van de katholieke regeringen. De echte vraag is dan ook: waarom hebben de radicalen niet hetzelfde gedaan?

Aan de sociale achtergrond van stichters en leiders van beide stromingen ligt het niet, aldus Chlepner. Zowel de kaders van de christen-democratie, als van de radicalen komen uit de intellectuele middenklasse. Het verschil ligt volgens Chlepner bij de ideologische en religieuze opvattingen. De christen-democraten waren vertrouwd met het politieke belang dat binnen de Katholieke Partij werd gehecht aan allerhande ‘sociale werken’; de officiële benaming van de Katholieke Partij was sinds 1884 trouwens Féderation des cercles catholiques et des associations conservatrices. De Katholieke Partij was, in tegenstelling tot de Liberale Partij, op dat ogenblik niet enkel op kiesverenigingen opgebouwd, maar reeds op allerlei verenigingen en organisaties. De progressisten stamden, ook al waren zij voorstanders van de oprichting van arbeidersorganisaties, uit de liberale traditie die op een individualistische ideologie en manier van werken steunde. Bovendien was er de godsdienst. De christen-democraten hadden via de kerk en de clerus een band met de arbeidersklasse en dus met de nieuwe kiezers. De radicalen beschikten niet over een vergelijkbaar instrument. Dat is vermoedelijk de reden waarom, terwijl in deze periode in de omringende landen de radicalen wel een blijvende plaats in de politiek wisten te verwerven, het Belgische radicalisme een stille dood is gestorven.

Het Belgische partijlandschap vormde zich in hoofdzaak rond de klerikale-antiklerikale breuklijn en rond het daarop gesteunde associationisme. Deze ontwikkeling werd vanaf 1884 gesteund door de politiek van gesubsidieerde vrijheid, als gevolg waarvan bijvoorbeeld niet de staat de werkloosheids- of ziekteverzekering organiseerde, maar verenigingen zoals vakbonden en ziekenfondsen werden gesubsidieerd om deze verzekeringen te organiseren. De socialisten, die in principe voorstander waren van een eenheidsziekenfonds en van rechtstreekse tussenkomst van de overheid, waren de facto zelf ook door het associationisme groot geworden. Het recht op coalitievorming op professionele basis, dat in 1866 mogelijk werd, was een aanzet om geleidelijk aan bestaande en nieuwe ziekenfondsen, vakbonden, en coöperatieven te verenigen in federaties die deel uitmaakten van de BWP. Op basis van dat netwerk van verenigingen kon zowel de Katholieke Partij als de BWP moeiteloos de overgang naar de moderne massapartij maken. De Liberale Partij zou het daar veel moeilijker mee hebben (Chlepner, 1956: 172-173).

Toch was er rond de eeuwwisseling ook sprake van een kleine ‘liberale zuil’. Opmerkelijk genoeg zijn de liberale vakbonden en arbeidersorganisaties niet de vrucht van de radicalen, maar wel van de gematigde doctrinaire vleugel, die hierin een mogelijkheid zag om de uitbouw van het socialisme en collectivisme in te dammen. Vaak waren de radicalen, die wel enig aanzien hadden verworven binnen de arbeidersbeweging, gekant tegen de uitbouw van aparte liberale arbeidersorganisaties. Volgens hen kwam die taak de BWP toe. De radicalen beschouwden de werkliedenpartij dan ook niet als een concurrent. Volgens Chlepner speelde de liberale vakbond nooit een voortrekkersrol en zorgde dus ook niet voor een electorale instroom (Chlepner, 1956: 119, Kossmann: 1975: 249). De liberale partijen hebben nooit ten volle op de verzuiling kunnen inspelen. De liberale familie vormt dan ook veeleer een ‘politiek’ dan ‘organisationeel’ gegeven, eerder een kaderpartij dan een massapartij, in de terminologie van de politicoloog Duverger (12)

Tot slot

Het lijkt erop dat het radicalisme een weliswaar turbulent, maar bovenal kort bestaan heeft geleid binnen de Belgische liberale familie. In termen van partijen en organisaties klopt die stelling, in termen van invloed en ideeën niet. Het radicalisme slaagde er na 1900 niet meer in zich als partij te formeren, maar verdween daarom niet uit de geesten. Figuren als Serge Chlepner, die we dit hele essay door in zijn analyses zijn gevolgd, vormen misschien het beste voorbeeld van die blijvende invloed van het radicalisme. De historici die later in opdracht van de Liberale Partij de eigen partijgeschiedenis hebben geschreven, hebben vaak moeite om dit radicalisme te plaatsen. Hoort het al dan niet bij de liberale hoofdstroom? Was de Progressistische Partij uiteindelijk een blaam of een zegen voor het liberalisme? Daenens maakt er zich in zijn Origine et esprit du liberalisme belge uit 1969 op de volgende wijze vanaf. De Liberale Partij ontwikkelde volgens hem als eerste ‘de beginselen van een ruime sociale en vrijgevige leer, die aan de arbeidersmassa een menselijk en menswaardig bestaan wilden waarborgen op grond van een diepgeworteld gevoel voor humanisme en solidariteit’. En, zo gaat Daenens verder, ‘indien deze partij zich in de daaropvolgende periodes trouw aan de verwezenlijking van haar programma had gewijd – een programma dat door de nieuwe maatschappelijke en economische ontwikkelingen onafwendbaar was geworden – dan had ze amper een halve eeuw na haar stichting niet de pijnlijke en onverdiende uittocht moeten meemaken van een deel van haar troepen. Troepen die in het vooruitzicht van aantrekkelijke, maar gevaarlijke en louter denkbeeldige perspectieven zich gingen scharen achter de vlag van mensen die voortkwamen uit haar eigen rangen en met een revolutionaire geest die, het moet gezegd worden, meer openheid toonden voor de noden van de tijd en die zich bewust waren van hun plicht om de sociale wetgeving op te tillen ter hoogte van de noden die door de onafwendbare evolutie van de industrie en van het kapitalisme geschapen waren. Helaas, het is de wet van het ogenblikkelijk oordeel: de fouten worden dadelijk aangerekend. De Liberale Partij, die de sociale partij bij uitstek had moeten zijn, heeft dit zwaar moeten betalen...’ (Daenens, 1969: 7-8)

Het eindoordeel van Chlepner is scherper en daardoor ook realistischer: na het verdwijnen van de radicalen en progressieven werd de Liberale Partij een statische factor in de Belgische politiek die ongetwijfeld zijn nut en verdienste heeft, maar die nooit meer de intellectuele jeugd heeft weten te boeien. Een deel van de jeugd die in andere omstandigheden voor het liberalisme zou hebben gekozen, koos in België voor het socialisme (Chlepner, 1956: 358-359).

Bibliografie


Basiliades, Johan, (1997), ‘Du 19e au 20e siècle: naissance d’un système de sécurité sociale’, pp. 47-133, in: Basiliades, J., Radermecker, C. en Selis, C., Considérations préliminaires: philosophie et histoire de la sécurité sociale. Guide social permanent. Sécurité sociale: commentaires, Ced. Samson, Diegem.

Chlepner, B.S., (1956/1972), Cent ans d’histoire sociale en Belgique, Editions de l’ulb, Brussel.

Claeys, Paul-H., (1996), ‘Le système des piliers’, pp. 257-262, in: Delwit, Pascal en De Waele, Jean-Michel (ed.), Les partis politiques en Belgique, Editions de l’ulb, Brussel.

Daenens, R ., (1969), Origine et esprit du libéralisme Belge, UGA, Brussel.

De Batselier, Norbert, (1998), In goede staat, een vooruitstrevende visie op de institutionele hervormingen, vubpress, Brussel.

Deschouwer, Kris, (1993), Organiseren of bewegen? De evolutie van de Belgische partijstructuren sinds 1960, vubpress, Brussel.

Frognier, André-Paul, (1996), ‘Partis et clivages en Belgique: l’héritage de S.M. Lipset et S. Rokkan’, pp. 249-255, in: Delwit, Pascal en De Waele, Jean-Michel (ed.), Les partis politiques en Belgique, Editions de l’ulb, Brussel.

Hancké, Lode, (1993), Jan Van Rijswijck, boegbeeld van het sociale liberalisme, Liberaal Archief, Gent.

Kinneging, A.A.M., (1993), ‘Inleiding’, pp. 15-24, in Cliteur, P.B., Kinneging, A.A.M. en Van der List, G.A., Filosofen van het klassieke liberalisme, Kok Agora, Kampen.

Kossmann, E.H., (1975), De lage landen 1780-1940, Elsevier,
Amsterdam-Brussel.

Lefevre, Patrick, (1996a), ‘De liberale Partij van 1846 tot 1914’, pp. 28-41, in: De liberalen, Paul Hymanscentrum, Brussel.

Lefevre, Patrick, (1996b), ‘Grootheid en verval 1847-1914’, pp. 112-149, in: De liberalen, Paul Hymanscentrum, Brussel.

Lis, Catharina, Soly, Hugo en Van Damme, Dirk, (1985), Op vrije voeten?Sociale politiek in West-Europa (1450-1914), Kritak, Leuven.

Luykx, Theo, (1985), Politieke geschiedenis van België I, van 1789 tot 1944, Elsevier, Amsterdam-Brussel.

Miroir, André, (1996), ‘Het liberaal congres van 1846’, pp. 18-27, in: De Liberalen, Paul Hymanscentrum, Brussel.

Rosenblum, Nancy, (1987), Another Liberalism.Romanticism and the reconstruction of liberal thought, Harvard University Press, Boston.

Serge Chlepner, professeur à l’université de Bruxelles, (1960), Edition de l’ulb, Brussel.

Stengers, Jean, (1996), ‘De gevolgen van het meervoudig stemrecht’, pp. 72-84, in: De liberalen, Paul Hymanscentrum, Brussel.

Vercauteren, Pierre, (1969), La place de Paul Janson dans la vie politique belge de 1877 à 1884, Res Publica, 1969/2, p. 183-194.

Wils, Lode, (1994), ‘De verhouding tussen Vlaamse beweging en arbeidersbeweging in Gent’ en ‘Tussen taalstrijd en arbeidersbeweging’, pp. 157-227, in: Vlaanderen, België, Groot-Nederland, Davidfonds, Leuven.

Witte, Els, Craeybeckx, Jan en Meynen, Alain, (1997), Politieke Geschiedenis van België van 1830 tot heden, vubpress, Brussel.

Noten

1 Ik gebruik voortaan bij voorkeur de term ‘radicalen’ omdat het de omschrijving is die in de vorige eeuw het vaakst werd gehanteerd. De meer hedendaagse term ‘links-liberalen’ is minder nuttig omdat de liberalen in deze periode hoe dan ook tot de linkerzijde werden gerekend. Andere in die periode gehanteerde termen zijn de ‘progressief-liberalen’ (naar de naam van de partij die ze stichtten, de Progressistische Partij), of de ‘jeune gauche’ (de vernieuwende krachten binnen het liberale kamp).

2 Deze uitdrukking was afkomstig van Jean-Baptiste Nothomb en zou in de aanloop naar het congres een eigen leven gaan leiden in de liberale pers.

3 Tijdens de Parijse Februarirevolutie van 1848 werd, na demonstraties van studenten en arbeiders, de monarchie afgeschaft en het algemeen stemrecht ingevoerd. In juni van hetzelfde jaar volgde er in de Franse hoofdstad een hevig volksoproer dat bloedig werd neergeslagen en het leven kostte aan ongeveer vierduizend mensen. Deze gebeurtenissen maakten een grote indruk op de rest van Europa. Ook de Belgische burgerij was bevreesd voor vergelijkbare onlusten.

4 Een van de vurigste pleidooien tegen het monopolie van de burgerij op de politiek, tegen het gebrek aan sociaal interventionisme en tegen het verbod op arbeidersorganisaties kwam uit totaal onverwachte hoek. Vreemd genoeg waren het pleitbezorgers van het zuiverste economisch liberalisme die als eersten de privileges van de cijnsburgerij ter discussie stelden. Hun woordvoerder was de politieke econoom De Molinari die vandaag nog op de websites van anarcho-kapitalistische politieke verenigingen als een voorloper wordt geciteerd. Hierover: Chlepner, 1956: 56-57.

5 Zie bijvoorbeeld De Batselier, 1998.

6 Volgens de Lipset- en Rokkan-these (Party Systems and Voters Alignments, 1967) zijn de moderne politieke partijen categoriseerbaar volgens de maatschappelijke breuklijn waarop ze zijn ontstaan. Eerst was er de politieke revolutie als breuklijn (kerk/staat en centralisme/decentralisatie) en vervolgens de economische revolutie (arbeid /kapitaal en platteland /industrie). In België heeft de ene revolutie de andere niet kunnen verdringen en is het politieke landschap een cumulatie van beide breuklijnen. Hierover: Deschouwer, 1993 en Frognier, 1996.

7 De doctrinairen waren gekant tegen zowel programmacongressen als tegen een partijorganisatie. Te concrete standpunten en een strakke organisatie konden alleen leiden tot verdeeldheid binnen de liberale opinie (Lefevre, 1996a).

8 In 1870 was er heel kortstondig een nationale ‘Liberaal Democratische Partij’.

9 Lis, Soly en Van Damme, 1985: 179-180. Dirk Van Damme ziet in de onderwijsoorlog een strijd tussen katholieken en vrijzinnigen om greep te krijgen op de lagere klassen.

10 Janson in Le journal de Bruxelles (7 juni 1878) geciteerd in Vercauteren, 1969: 183-194.

11 Het Tweede Vooruitstrevend Congres van 1890 zal zonder meer pleiten voor het algemeen stemrecht.

12 Volgens de these van Maurice Duverger (Les partis politiques, 1951) is de aard van een politieke partij het gevolg van de context waarbinnen ze is ontstaan. De Liberale Partij ontstond uit een vereniging van parlementsleden en vormt het typevoorbeeld van een kaderpartij. De socialistische partij is ontstaan uit de buitenparlementaire mobilisatie en vormt het typevoorbeeld van een moderne massapartij. De Christelijke Volkspartij, die aanvankelijk ook een kaderpartij was, heeft de overgang naar de massapartij of volkspartij vlot kunnen maken omdat zij reeds vroeg steunde op buitenparlementaire christelijke verenigingen en via de liefdadigheidsinstellingen, plattelandsverenigingen en de verenigingen uit de christelijke arbeiderssfeer ook de massa wist te binden. Hierover: Deschouwer, 1993 en Claeys, 1996.


terug naar startpagina