Brussel op: www.basiliades.be

Sven Gatz en Johan Basiliades


De rechten van minderheden in Brussel:
een links-liberale kijk op minderheidsrechten

Verschenen in Een vierde weg? Links-liberalisme als traditie en als oriëntatiepunt (VUB PRESS, 2001); deze tekst verscheen in een eerdere versie in Vlaanderen Morgen, 6/1997.


De politieke eis van de Vlamingen om een gewaarborgde vertegenwoordiging te hebben op de Brusselse bestuursniveaus dateert niet van gisteren. Concreet wil men, zowel in de gemeenten als in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, een vooraf gegarandeerd aantal Vlamingen, en dit zowel in de gemeenteraden en de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, als in de schepencolleges en in de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Alleen het laatste is nu al het geval.

Naar aanleiding van de discussie over de invoering van het gemeentelijk eurokiesrecht brachten de Brusselse Vlamingen de vraag tot gewaarborgde vertegenwoordiging in het debat. Vele Vlamingen in Brussel hebben immers schrik van de invoering van het stemrecht voor niet-Belgen. Dat die angst niet zonder grond is mogen enkele cijfers illustreren. In een maximalistisch scenario krijgen op termijn zowel Europeanen als niet-Europeanen gemeentelijk stemrecht. Op een bevolking van een klein miljoen Brusselaars zijn er zo’n 150.000 Europeanen, waarvan ongeveer driekwart eerder ‘Latijns’ zijn ingesteld (Fransen, Italianen, Spanjaarden, Portugezen). Ook de groep niet-Europese buitenlanders telt zo’n 150.000 mensen, voornamelijk Marokkanen en Turken. In een minimalistisch scenario moet men rekening houden met jaarlijks ongeveer tienduizend nieuwe Belgen in Brussel. Zonder te stellen dat alle buitenlanders en nieuwe Belgen zomaar op Franstalige Brusselse politici zouden stemmen, is de kans dus reëel dat de Brusselse Vlamingen verder geminoriseerd worden.

Het stemrecht voor buitenlanders lijkt dus inderdaad met de eis voor een gewaarborgde vertegenwoordiging van Brusselse Vlamingen in strijd te geraken, en het verzet van Vlaamse kant te wettigen. We zullen hier aantonen dat die tegenstelling echter maar schijnbaar is.

Aan de andere kant zullen we aantonen dat ook de argumenten van Franstaligen tegen de gewaarborgde vertegenwoordiging van Vlamingen in Brussel, niet erg subtiel zijn. Door te zweren bij het ‘one man/woman, one vote’-principe schilderen ze de Vlaamse eisen als antidemocratisch af: een gegarandeerde vertegenwoordiging geeft immers een hoger soortgelijk gewicht aan een Vlaamse dan aan een Franse stem. De tegenstanders van deze waarborgen vergeten overigens wel dat dit procédé niet zo nieuw is in België. Zo kost vandaag voor de Europese verkiezingen en voor de federale kamer een Franstalige zetel relatief een stuk minder stemmen dan een Vlaamse zetel.

Begrippenverwarring

Bovenstaande redeneringen laten ons dus op onze honger. Ze verhelderen de Brusselse minderhedenproblematiek niet en verwarren
een aantal begrippen. De Canadese liberale filosoof Will Kymlicka biedt ons in Multicultural Citizenship: A Liberal Theory of Minority Rights (Clarendon Press, Oxford, 1995), wel een begrippenkader dat toelaat de Brusselse minderhedenproblematiek te vatten. In wat volgt toetsen we ons verhaal over Brussel, haar Vlamingen en haar migranten, aan dit begrippenkader.

Naar Kymlicka’s begrippen wordt in bovenstaande redeneringen een verkeerd onderscheid gemaakt tussen individuele vrijheidsrechten (one man/woman, one vote) en de zogenoemde groepsrechten (zoals een gewaarborgde vertegenwoordiging voor Vlamingen). De redenering verwart ook het behoren tot een nationaal-historische, territoriaal gebonden minderheid (de Vlamingen in Brussel) met het behoren tot een etnisch geïmmigreerde minderheid met een eigen culturele bagage, gebruiken en kenmerken (zoals de Marokkaanse en Turkse migranten in Brussel). We zullen aantonen dat de eersten, om hun eigenheid te bewaren, behoefte hebben aan bescherming en zelfs afscherming, dit door middel van wetten en geëigende instellingen. De tweede groep heeft daarentegen juist behoefte aan de opheffing van wetten en gebruiken die hen als migranten beletten deel te nemen aan het overheersende sociale, culturele en politieke leven, zonder dat ze daarvoor hun eigenheid hoeven op te geven. Beide groepen zijn minderheden en kunnen elkaar daarin vinden, maar hebben een andere politieke vertaling van hun minderheidsprobleem nodig.

Individuele en collectieve rechten

Minderheidsrechten worden vaak mis begrepen als collectieve rechten die de rechten van het individu aantasten. Dat misverstand ligt ook aan de basis van het Franstalig standpunt ten aanzien van de eis voor gewaarborgde vertegenwoordiging van Vlamingen in Brussel. In onze westerse liberale democratie is immers het individu de drager van rechten en niet de groep. Kymlicka merkt echter op dat, wat we meestal omschrijven als collectieve maatregelen ter bescherming van minderheden, vaak evenzeer individuele rechten zijn, maar verbonden aan een andersoortig burgerschap (groupdifferentiated citizenship). De terminologie van collectieve rechten is hier misleidend. Het zijn juist deze maatregelen die het individu (in dit geval de Vlaamse Brusselaar) de mogelijkheid bieden zijn individuele rechten blijvend te kunnen beleven. Zo waarborgt de taalwetgeving in de administratie in Brussel dat ook de Vlaming ten allen tijde in zijn taal kan geholpen worden (het is hier het gebruik van het Nederlands dat het andersoortig burgerschap van de Vlaming in Brussel bepaalt). Deze maatregelen beogen meestal de bescherming van de eigenheid van de leden van een minderheid tegenover een overheersende groep. Kymlicka heeft als links-liberaal weinig problemen met maatregelen die de groep in de eigenheid beschermen (zoals taalwetgeving of special-representation). Hij noemt het external protection. Hij trekt wel een grens daar waar maatregelen de eigenheid binnen de groep zelf beginnen na te streven (internal restriction), en ze de individuele vrijheid van groepsleden eerder dreigen aan te tasten dan te versterken.

Universele rechten

De minderheidsproblematiek duikt in alle landen op. Geen enkel land is volledig homogeen wat taal of etnie betreft. Minderheidsrechten zijn dus geen randfenomeen van de democratie, maar zijn mede constitutief voor de democratische bestuursvorm. Het naoorlogse liberalisme dacht, in het kielzog van het succes van de oprichting van de Verenigde Naties en de totstandkoming van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, dat het respect voor de universele en individuele rechten van de mens vanzelfsprekend ook zou leiden tot het wegwerken van welke discriminatie van minderheden dan ook.

Godsdienstvrijheid, recht op vrije meningsuiting, de keuze van een taal en de vrijheid van vereniging zijn in essentie individuele rechten, maar worden over het algemeen in een maatschappelijk verband, in groep beleefd. Het klassieke liberalisme vertrouwde erop dat het respect voor deze individuele rechten ook minderheden zou beschermen tegen discriminatie als groep.

Volstaat deze redenering wel? Het probleem is immers niet dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens een onvoldoende antwoord geeft op de problemen waarmee minderheden geconfronteerd worden. Het probleem is eerder dat er überhaupt helemaal geen oplossing aan gegeven wordt. Zelfs als de Universele Verklaring scrupuleus als leidraad wordt gevolgd, zegt ons dat niets over het gebruik van deze of gene taal in het openbaar bestuur of over administratieve grenzen in een land, noch over het dragen van een sluier of over de keuze van de officiële feestdagen in een gemeenschap. Stemrecht (one man/woman, one vote) zegt in deze gevallen alleen iets over de meerderheid, niets over de minderheid.

Het is uiteraard niet nodig om de universele mensenrechten af te schaffen of ze zelfs maar ter discussie te stellen. In het merendeel van de gevallen waar de individuele vrijheid met voeten wordt getreden, zijn en blijven de universele mensenrechten een belangrijk verweerdocument en een referentiepunt. Maar over de individuele rechten die aan deze of gene etnische of nationale minderheid verbonden zijn, zeggen ze absoluut niets. Kymlicka suggereert dat men deze individuele rechten het best zou vervolledigen met andere individuele rechten die eigen zijn aan het lidmaatschap van een nationale of etnische minderheid. Het gaat dan over een ander soort burgerschap met betrekking tot kwesties die de essentie van die minderheid zelf raken, zoals de taal, de tradities of de godsdienst. In een multiculturele staat – en alle staten zijn dit – moet de links-liberale rechtvaardigheidstheorie van Rawls en anderen, die Kymlicka hier verdedigt, individuele rechten (ongeacht de groep waartoe men behoort) integreren met de group-differentiated rights.

Etnische en nationale minderheden

Welke zijn die groepsonderscheiden rechten dan? Deze vraag leidt ons naar de tweede begripsverwarring binnen de Brusselse context. Het type en soort verzuchtingen dat bij individuen of leden van minderheden kan leven, hangt natuurlijk af van de oorsprong zelf van die minderheid.

Dit verschil tussen enerzijds de verzuchtingen van etnische minderheden en anderzijds nationale minderheden komt goed tot uiting in een Amerikaans voorbeeld dat Kymlicka aanhaalt. Dat voorbeeld willen we doortrekken naar de Brusselse situatie en het debat over stemrecht voor niet-Belgen, met daaraan verbonden de gewaarborgde vertegenwoordiging van Vlamingen.

Het voorbeeld van Kymlicka betreft twee duidelijk onderscheiden minderheidsgroepen uit Noord-Amerika: de Afro-Amerikanen (afstammelingen van uit Afrika aangevoerde slaven) en de Indianen (de afstammelingen van de autochtone pre-koloniale bevoking die sinds eeuwen het continent bewoont). In de jaren zestig deed de American Supreme Court een opmerkelijke en historische uitspraak in het proces Brown vs Board of Education. In dit proces, dat de ouders van een kleurling lijnrecht tegenover een ‘blanke’ school in het zuiden van de Verenigde Staten plaatste, hakte de Supreme Court de knoop door en besliste dat geen enkele school een leerling op basis van zijn ras kon weigeren. Deze uitspraak luidde het einde in van de segregatiewetgeving in het zuiden van de Verenigde Staten. De wetgeving waarop de segregatie berustte, met name ‘de afzonderlijke, maar gelijke behandeling’, werd als vernederend voor de zwarte bevolking ervaren en kon niet langer worden gehandhaafd. De segregatiewetgeving belette de zwarte bevolking volwaardig deel te nemen aan het maatschappelijk leven en stond dus de gelijkheid van kansen in de weg. Voortaan moesten wetten ‘kleurenblind’ zijn.

In 1969 beriep de Canadese regering – en vervolgens ook de Canadese Supreme Court – zich op de uitspraak alsook de motivering in het proces-Brown, om de afzonderlijke grondwettellijke status van de Indianen en de daaraan verbonden rechten en eigen wetten te betwisten. Afzonderlijke (beschermende) wetgeving voor Indianen zou immers een vorm van segregatie zijn die Indianen belet zich volledig in de Canadese samenleving te integreren en zou aldus voor deze volkeren een vorm van discriminatie betekenen.

Men voelt intuïtief aan dat in het geval van de Afro-Amerikaan de individuele rechten inderdaad werden geschonden en dit door een verschillende toepassing van de wetten voor blanke en zwarte Amerikanen, maar dat in het geval van de Indianen of ook dat van de Franssprekende inwoners van Quebec (de Quebecois) hun vrijheid juist wordt gewaarborgd door een afzonderlijke wetgeving.

Kunnen we de situatie van de Indiaan of van de inwoner van Quebec gelijkstellen met die van de Brusselse Vlaming? We denken het wel, hoewel we hier natuurlijk te maken hebben met een zeer specifieke minderheid, aangezien de Vlamingen de meerderheid uitmaken in België, maar in Brussel de minderheid vormen. Zowel in Brussel, in Quebec als bij de autochtone Indiaanse bevolking hebben we te maken met wat Kymlicka omschrijft als een ‘nationale minderheid’. De leden van dit type van minderheid proberen hun eigen identiteit te vrijwaren, alsook hun taal en hun tradities, en dit tegen de politieke en culturele meerderheidsstroom in. Daarom verlangen deze minderheden zelfbestuur over zaken die op deze identiteit betrekking hebben, en gewaarborgde vertegenwoordiging die hen behoedt voor een volledige politieke minorisering (self-government rights en special representation rights). Er kan overigens nog een andere historische parallel worden getrokken tussen de indianenstammen in Canada en de Brusselse Vlamingen: beide groepen zijn al langer op het territorium aanwezig dan de nieuwe meerderheid die hen nu numeriek overvleugelt.

De Afro-Amerikanen daarentegen zijn vergelijkbaar met de Marokkaanse, Turkse en andere minderheden in Brussel, en worden door Kymlicka aangeduid als ‘etnische minderheden’ die uit vroegere en actuele migratiestromen voortkomen. Deze minderheden eisen rechten op – zoals het stemrecht – die hen moeten toelaten zich volledig in te voegen in de politieke en/of culturele meerderheidsstroom, en zonder dat ze daarbij afstand moeten (of kunnen) nemen van hun eigen identiteit (polyethnic rights). We denken hier in eerste instantie aan stemrecht, maar ook aan maatregelen van positieve discriminatie in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, die hun gelijke kansen bieden in de maatschappij. Er is ook niet direct een vraag tot gewaarborgde politieke vertegenwoordiging van deze groepen. Zij vereisen dus andersoortige rechten om zich als volwaardige burgers te kunnen ontplooien in een multicultureel Brussel.

De erkenning van gewaarborgde vertegenwoordiging voor Vlamingen in Brussel, evenals van stemrecht voor niet-Belgen, vormen dan ook geen hinderpaal voor de democratie, maar juist een garantie voor een echte multiculturele stad. Ze vormen daarenboven noch een ontkenning, noch een verheerlijking van die multiculturaliteit, maar wel een realistische oplossing om er mee om te gaan.

Noot (1): Deze tekst verscheen in een eerdere versie in Vlaanderen Morgen, 6/1997.


Sven Gatz en Johan Basiliades

terug naar startpagina