Brussel op: www.basiliades.be

Steden in de loop der beschaving
Cities in Civilisation - Peter Hall

Peter Hall, Cities in Civilisation. Culture, Innovation and Urban Order, Weidenfeld & Nicolson, 1998, Phoenix, blz. 1169
boekbespreking door Johan Basiliades

Een Engels recensent omschreef het boek Cities in Civilisation als ‘het academische equivalent van de megapolis’. Duizend compact geschreven bladzijden met tweeëntwintig praktijkvoorbeelden (verhalen) van grootsteden in hun gouden eeuw, aangevuld met een ruim theoretisch kader. Peter Hall heeft met dit boek iedere geïnteresseerde in urbanisme overladen met informatie. Een boekbespreking van een boek dat eigenlijk op zich al een volle boekenplank over het thema is, is geen sinecure. Toch zit er een algemene lijn in Cities in Civilisation. Die gaan we trachten te achterhalen.


Steden blijken doorheen de geschiedenis een motor van vernieuwing en welvaart te zijn. Meermaals werd het einde van de stad voorspeld: het einde van de stad in de oudheid waar het oude Rome met meer dan één miljoen inwoners kampte met problemen van watertoevoer, voedselbevoorrading, lawaai, veiligheid, brandgevaar, hygiëne, afvalverwerking… Recenter zijn er de doemscenario’s over de toekomst van de stad na elke nieuwe uitvinding in de telecommunicatie en transportmogelijkheden: de opkomst van de trein, auto, vliegtuig enerzijds en de opkomst van de telefoon, telegraaf, radio, internet… gaan gepaard met theorieën over de death of distance.


Tegen de voorspelde trends in zijn grootsteden hun leidinggevende rol blijven vervullen. Stedelijkheid nam zelfs toe met de opkomst van nieuwe communicatiemiddelen en transportmogelijkheden. Niet alle steden kenden echter een even grote aantrekkingskracht of bloeiperiode. Waarom was Firenze in de vijftiende eeuw zo toonaangevend en niet Bologna? Waarom Athene ten tijde van de sofisten, Socrates en Pericles en niet Sparta? Waarom Berlijn bij het begin van de twintigste eeuw en niet Munchen? Dit zijn de twee vragen die het debat over stedelijkheid beheersen: waarom gebeurt ‘het’ in de stad? En waarom in ‘deze of gene’ stad? In dit debat heeft de Amerikaanse socioloog Richard Florida alvast veel aandacht weten te trekken met zijn hippe theorie uit The Rise of the Creative Class (Basic Books, 2002). Samengevat stelt Florida dat de groei van een regio vandaag voorspeld kan worden door de aantrekkingskracht van haar stad op de creatieve klasse. Creatieve mensen gaan wonen daar waar ze graag wonen en niet daar waar ze werk vinden. Dit zijn steden die Technische know how en Talentvolle mensen aantrekken en die Tolerant en open zijn (Florida’s theorie over de drie T’s). Dus niet alle steden trekken de creatieve klasse van Richard Florida aan, maar sommige steden doen dat wel.


Al meer dan 25 jaar meent de ene auteur na de andere dat creativiteit of beter nog een kruisbestuiving van creatief talent in een stedelijke omgeving, de sleutel is voor stedelijk succes. Peter Hall heeft in tegenstelling tot Richard Florida minder problemen om ook te schrijven waar hij de mosterd is gaan halen in zijn poging de sleutel voor stedelijk succes te verduidelijken. Sinds de jaren ’80 zijn we vertrouwd geraakt met de Zweedse school en meer bepaald de ideeën en studies over het creatief milieu. (zie: Gunnar Törnqvist, Creativity and the Renewal of Regional Life in Anne Buttimer (ed), Creativity and Context, Royal University of Lund, 1983, blz. 91-112). Richard Florida wil vanuit een aantal sociologische modellen zoeken waar een dergelijke creatief milieu gedijt en waarom. Hij zoekt zelfs naar recepten om het creatieve milieu te bevorderen. Hij wil het aanwakkeren. Peter Hall daarentegen gaat de historische toer op in Cities in Civilisation. Al is ook zijn conclusie – The city of the coming golden age – een poging om een recept aan te reiken.


Er bestaan volgens Peter Hall meerdere manieren waarop steden in de loop der geschiedenis hebben uitgeblonken in creativiteit en een bloeiperiode hebben ingeluid voor die stad en de omliggende regio. Die verschillende manieren deelt Peter Hall op in de vier boeken (delen) van Cities in Civilisation. 1) De culturele, artistieke en intellectuele creativiteit. 2) Creativiteit in technische vernieuwing. 3) Creativiteit waar techniek en cultuur elkaar bestuiven. 4) Technische en organisatorische creativiteit in de organisatie van de stad zelf. De verschillende vormen van creativiteit neigen er naar steeds meer op elkaar in te spelen en zich te vermengen zoals al duidelijk is uit het Hollywoodvoorbeeld en het huwelijk tussen nieuwe filmtechniek en populaire kunst. In Boek 5 schetst Hall een eerder optimistisch beeld van steden waar deze verschillende vormen van creativiteit verstrengeld zijn en kansen bieden die deze steden kunnen/moeten benutten.


1. The City as Cultural Crucible


De eerste reeks steden waar Hall de lezer heen gidst zijn type voorbeelden van de grote cultuur steden in hun gouden eeuw. Zo bijvoorbeeld Athene in de vijfde eeuw voor Christus. Wat Athene toen uniek maakte was dat het – niet als enige stad, maar wel op de meest doorgedreven wijze – in die periode de overgang maakte van een statische conservatieve en aristocratische landbouwmaatschappij naar een open stedelijke handelssamenleving. Die openheid weerspiegelde zich in de democratie, de onafhankelijkheid van de wet, het ideeën debat (denk maar aan de sofisten) en een ethiek op mensen maat. Maar het kenmerkte zich evenzeer door de aantrekkingskracht op en de rol van de vreemdelingen in het commerciële en intellectuele leven van de stad.


De hoogdagen van Firenze onder de Medici in het begin van de vijftiende eeuw gebeurde in vergelijkbare omstandigheden: toenemende materiële welvaart en politieke, culturele en filosofische ontvoogding. Firenze en Noord-Italië maakten de overgang naar de moderniteit. Ook het Londen van Shakespeare volgt een gelijklopend patroon. Meer dan welk ander centrum was Londen op dat ogenblik in die regio de plaats waar het nieuwe kapitalisme bloeide en waar vrijheid de bovenhand nam op de gevestigde orde. Londen was een omgeving van sterk toegenomen welvaart en consumptie. Theater was er in de eerste plaats een winstgevende bedrijvigheid. Shakespeare een creatief ondernemer.


De andere drie voorbeelden zijn complexer. Wenen was in de negentiende eeuw het centrum van een groot rijk (het Oosterijks-Hongaars keizerrijk) op zijn retour. Op het hoogtepunt van het rijk was Wenen het centrum van de vernieuwing in de muziek (Haydn, Mozart, Strauss,…), enkele decennia later in een weinig beloftevolle sfeer schitterde - als vorm van reactie - een vooral joodse kleine burgerij in alle mogelijke domeinen: kunst, literatuur, muziek, wetenschap,…


De lichtstad Parijs, op de drempel van de twintigste eeuw is de wereldhoofdstad van de beeldende kunsten: impressionisme, expressionisme en fauvisme, cubisme,… met Pablo Picasso als hoogtepunt. De ene toonaangevende vernieuwing na de andere vond plaats in Parijs. Het gebeurde ook in Parijs omdat net daar een netwerk van schilders en kunstenaars permanent vernieuwde tegen alle academische tradities en conventies in, vanuit een sterke individuele gedrevenheid.


Berlijn tot slot was na de eerste wereldoorlog een stad met een ongemene aantrekkingskracht voor politiek theater, journalistiek, cabaret, literatuur, muziek. De reputatie van de stad berustte op een sterke liberale non-conformistische reputatie van de stad in de Weimar-republiek, met als quasi emblematisch voorbeeld de verhuis van Bertold Brecht van Munchen naar Berlijn. Berlijn was de chaotische hoofdstad van een groot land in totale politieke, economische en maatschappelijke chaos na WO I.


Uit deze voorbeelden van steden in hun culturele bloeiperiode wil Peter Hall een patroon puren. Welvaart en economische groei waren belangrijk, maar dat vertaalde zich niet noodzakelijk in goed verdeeld comfort en levenskwaliteit, zelfs niet in vergelijking met minder voorname steden uit dezelfde periode. Wat deze steden wel allemaal gemeen hebben is dat ze open steden waren: kosmopolitisch. Er is geen creativiteit mogelijk zonder permanente inbreng van ‘nieuw creatief bloed’. Steden die de avant-garde aantrekken, een avant-garde die gepatroneerd wordt door een deel van de gevestigde gegoede klasse, maar anderzijds toch in de marge een al dan niet comfortabele marginaliteit creëert.


Maar er is nog meer gemeenschappelijks. Hier verwijst Hall expliciet naar de Zweedse theorieën over creativiteit en omgeving. Waar tref je een sterk creatief milieu aan? Wel, creativiteit borrelt exponentieel op in steden die sociaal en intellectueel onstabiel zijn. Een sterk creatief milieu is een omgeving in de overgang. Tronqvist noemt dit de fase van de ‘structurele instabiliteit’. Het is een voorwaarde voor een uitgesproken creatief milieu, maar het is daarom nog niet zondermeer maakbaar.


2. The City as Innovative Milieu

Het tweede verhaal gaat over andere steden: Manschester en de textielindustrie, Glagow en de stoomboot, weerom Berlijn, nu als centrum en pionier in de elektriciteit, Detroit en Henry Ford, San Fransisco’s Sillicon Valley (Palo Alto) en Tokyo als absolute kampioen van technische vernieuwing. Het verhaal over uitzonderlijke vernieuwingen in deze steden verloopt niet totaal, maar enigszins anders dan in het eerste deel. De verschillende voorbeelden hebben een aantal zaken gemeen. De vernieuwing concentreert zich in een stad (economics of agglomeration). De technische vernieuwing is belangrijk, maar nog belangrijker en eigen aan het innovatieve milieu is de organisatie of exploitatie van de vernieuwing: puur technisch werd de spinmachine niet in Manchester uitgevonden, de stoomboot niet in Glasgow en de auto al helemaal niet in Detroit. Het is wel één voor één in deze steden dat de efficiënte economische aanwending van de technologische vernieuwing werd ‘ontdekt’. Het is in een innovatief milieu dat de techniek aangescherpt werd in sterk creatieve netwerken. Ford is niet de uitvinder van de auto, maar wel van de massaproductie van de auto. Hij keek dit af van de eerste modellen van bandwerk in andere sectoren in zijn omgeving.


Toch zijn er grote verschillen in de aard van de creatieve netwerken die als voorbeeld worden gegeven. Manchester, Glasgow en Detroit zijn overduidelijk voorbeelden van innovatieve milieus die gedijen op spontane netwerken van creatieve mensen, echte uitvinders. De vernieuwing vond plaats onder invloed van individuele pioniers die van elkaar leren en elkaar overtreffen. Ze vindt ook plaats in een open omgeving die cultureel en intellectueel open staat voor vernieuwing. Het zijn vooral voorbeelden van niet elitaire samenlevingen, sterk egalitair waar de self-made men de motor van vernieuwing wormen (geen geleerden, academici, maar praktijkmensen).


Daartegenover staat een totaal ander model van innovatief milieu: Tokyo. Dit is een, vanuit de overheid, staats- en militaire belangen, zorgvuldig ondersteunde kapitalistische economie die wel degelijk heeft bijgedragen tot uitzonderlijke technologische vernieuwingen, en niet enkel kopieerde zoals vaak wordt gesuggereerd over de Japanse economie. Dit is de tegenpool van het creatieve milieu uit deel I. Het is ook de tegenpool van Richards Florida’s verhaal over creativiteit. Desalniettemin is het technisch creatief en succesvol. Het Elektrische Berlijn van Siemens en AEG ligt grotendeels in dezelfde traditie als Tokyo. Een traditie gestuurd door militair-industriële innovatie.


Silicon Valley balanceert tussen de twee modellen: Silicon Valley is ondenkbaar zonder de koude oorlog, de wapenwedloop en de race naar de ruimte. Maar Silicon Valley is eveneens de plaats waar een netwerk van langharige hippies in hun garages elkaar aftroefden om de eerste commercialiseerbare PC klaar te krijgen. Peter Hall durft zich niet uit te spreken over welk model in de toekomst voor een stad en regio het meest kans op succes heeft.


3. The Marriage of Art and Technology


De filmindustrie in Hollywood (Los Angeles) en Rock ‘n Roll in Memphis zijn twee voorbeelden van plaatsen waar een technologische vernieuwing omgezet werd in een culturele vernieuwing. Beide plaatsen danken hun naambekendheid aan de 20ste-eeuwse culturele revolutie die ze teweeg hebben gebracht. De hoofdstad van de entertainmentbusiness was New York, Broadway, Tin Pan Alley,… Hollywood was een godvergeten conservatief dorp aan de westkust toen de plaatselijke kamer van koophandel begon te adverteren over heel het land met de slogan: ‘360 dagen zon per jaar’.


De film werd niet in Hollywood uitgevonden, zelfs niet in Amerika. In Europa werd de nieuwe techniek meteen aangewend om de klassieke (wat elitaire) cultuur verder uit te dragen. In Frankrijk verfilmden ze het liefst Corneille en Racine. Niet zo in Amerika. Amerika op de drempel van de 20ste-eeuw was een immigratieland, democratisch en inclusief (niet-elitair). Van meet af aan was film (de nickelodeons) een populaire vorm van cultuur: entertainment. In Hollywood werd dus niet de film uitgevonden, maar de massacultuur. Dit gebeurde door nieuwe ondernemers (één voor één joodse immigranten, zonder opleiding, noch culturele pretentie). Entertainment was een business voor William Fox, Carl Laemnelle van Universal, Zukan en Loew van MGM, Hodkinson van Paramount en de broers Warner. Allemaal studio’s die zich in de ‘pioniersperiode’ van de cinema in het zonovergoten Hollywood vestigden. Ze maakten films zoals Henry Ford auto’s maakte: aan de lopende band. Hollywood was een innovatief milieu waar een creatief cultureel proces (zoals in de voorbeelden uit het eerste deel) in een rendabel systeem van productie en distributie over heel het land werd gegoten. De studio’s waren concurrenten, maar ook bondgenoten in het netwerk van zalen dat ze in heel Amerika uitbouwden.


Memphis nu. Waarom heeft Rock ’n Roll zich in alle mogelijke gedaanten vanuit Memphis (Tennessee) in de jaren ’50 over Amerika en de wereld verspreid als één van de succesvolste vormen van massacultuur in de 20ste-eeuw. Ook hier kwam de technologische vernieuwing (de LP of long player) die er aan de basis van lag, niet uit Memphis. Ook de commerciële vernieuwing kwam niet uit Tennessee of Mississippi (de commerciële radio’s zijn een New York, Broadway uitvinding). Maar Rock ’n Roll zag wel het licht in de opname studio’s in Memphis (SUN-records) en via de Memphis commerciële radio’s (WDIA) met Memphis artiesten (BB-King en Elvis Presley). Rock ’n Roll kon enkel daar ontstaan, in de Mississipi Delta, uit de kruisbestuiving van de blues en countrymuziek, twee uiterst gesegregeerde muziekgenres uit het meest gesegregeerde deel van de VS. ‘Memphis is het eerste voorbeeld van een sociale revolutie in kunst. Memphis is niet een soort imitatie van primitieve oorspronkelijke voorbeelden van populaire kunst door verfijnde stedelijke kunstenaars zoals we het kennen uit het Parijs rond de eeuwwisseling, maar de overwinning van de cultuur van de onderklasse en haar onderklassevertolkers en zelfs de onderklassewaarden’.


In tegenstelling tot de cinema slaagde Europa (Londen) er wel in op deze nieuwe trend in te spelen en een decennium later zelfs enigszins te overtreffen door met de Beatles en de Rolling Stones de blues terug naar de VS te brengen.De kruisbestuiving tussen cultuur en techniek die leidde tot de massacultuur is een nieuw soort creatieve omgeving waar volgens Hall het recept in schuilt voor komende vernieuwingen.


4. The Establishment of the Urban Order


Grootsteden zijn door hun omvang en functie vaak zelf de motor geweest van uitzonderlijke vernieuwing op technologische en organisatorisch vlak. De stad is dus niet enkel de plaats waar ‘het’ gebeurt, maar ook de plaats die het doet gebeuren. Stedelijkheid dus zelf als bron van vernieuwing. Peter Hall overloopt van het Antieke Rome tot Londen onder Thatcher hoe steden creatieve oplossingen hebben gezocht om de uitdagingen inzake veiligheid en criminaliteitsbestrijding, hygiëne, brandgevaar, watertoevoer, voedselbevoorrading, mobiliteit, huisvesting… waar ze zich mee geconfronteerd zagen aan te pakken.


Peter Hall stelt dat de stedelijke ontwikkeling het ritme gevolgd heeft van de opeenvolgende golven van vernieuwing in communicatie en transport. Hij bedoelt dat één element in de verklaring waarom sommige steden op gegeven ogenblikken een uitzonderlijke creativiteit aan de dag hebben gelegd in ‘problem solving’ te maken heeft met de achterliggende context van economische vernieuwing en bijhorende technische innovaties. Hij ziet de evoluties van steden meedrijven op de Kondratieff-golven, de Kuznets sub-golven of Shumpeter’s business cycli. New York en Los Angeles en de opkomst van de auto bijvoorbeeld; de eerste heeft de opkomst van de auto verwerkt in het bestaande stedelijk weefsel. De tweede heeft de auto niet verwerkt, maar heeft een stad gebouwd in functie van de auto (de stad als snelweg).


Maar dit is volgens Hall onvoldoende als gemeenschappelijke verklaring. Het zit dieper. In de voorbeelden die hij doorloopt, toont hij dat niet enkel achterliggende ideologieën en theorieën, maar ook sterke persoonlijkheden en persoonlijke visies hun stempel op die steden hebben gedrukt. De ‘juiste’ mensen met de ‘juiste’ visie die de kansen die de context hen bood wisten te benutten. Rome is het eerste voorbeeld, al is het niet het meest overtuigende. De Romeinen blonken niet uit in technologische vernieuwing, maar ze slaagden er wel in om drie eeuwen lang een stad van meer dan één miljoen inwoners van water en eten te voorzien. In de technologische context van de oudheid was dit zondermeer een huzarenstuk op technisch en organisatorisch vlak. Rome is ook de aanzet van een lange traditie van ‘problem solving’ door middel van grote openbare werken (grands travaux). Dit zullen we twintig eeuwen later aantreffen in het Parijs onder Napoleon III en Haussmann. In Rome bestonden die grands travaux voornamelijk uit het netwerk van aquaducten en de indrukwekkende grote riool (cloaca maxima).


Het 19e-eeuwse Londen was in vele opzichten de tegenpool van het antieke Rome en het Second Empire Parijs. Londen was naast een uit haar voegen gebarsten grootstad, ook een onhygiënische en onveilige mesthoop. In 1850 telde Londen 2,6 miljoen inwoners. De achterliggende ideologie van de Londense aanpak van de grootstedelijke uitdagingen was het utilitarisme van Jeremy Bentham. De hervormer van Londen was de ambtenaar Chadwick. De hervormingen gingen over de modelgevangenissen, de poor law of armenwet, de rioleringen,… De analyse was vooruitstrevend, de uitvoering was niet altijd even succesvol. In tal van opzichten deed de volgende generatie hervormers, beïnvloed door de Fabian Society en sociaal-democratische idealen het beter. Toch is er een niet te verwaarlozen erfenis van door het radicale utilitarisme geïnspireerde hervormingen: tegen de aanpak van de grands travaux plaatste de Angelsaksische traditie, rechts en links, een kosten-batenanalyse en aanpak in de grote hervormingen.


Parijs in dezelfde periode werd onder Louis Napoleon (Keizer Napoleon III) heraangelegd door Haussmann die hiervoor diep, zeer diep in de beurs deed grijpen. Haussman hertekende Parijs. Maar het hertekende Parijs was er de aanzet van dat de stad haar aantrekkingskracht steeds is blijven behouden op de middenklasse en dat Frankrijk in tegenstelling tot de meeste westerse landen geen weerslag heeft van een sterke antistedelijke traditie.


New York, de apotheose van het moderne titelt Hall. Door de technologische verbeteringen van de liften en staalconstructie breidde New York zich als eerste stad in de hoogte uit. New York is het archetypevoorbeeld van de wolkenkrabbersgrootstad gebleven. Maar New York was ook de eerste stad waar aan bewuste city planning gedaan werd. Het was een creatieve en innovatieve stadsplanning die via functieverdeling (wonen, werken, ontspannen) en een netwerk van veerboten, bruggen, snelwegen, tunnels, metro’s en treinen het idee van een compacte stad (Manhattan) in stand en leefbaar wist te houden tegen de stadsvluchttrend en de quote van Henry Ford in dat ‘we het probleem van de auto in de stad kunnen oplossen door de stad te verlaten’.


L.A. is een ander antwoord op Henry Ford’s quote. Het is een stad zonder centrum, ontworpen rond de automobiliteit. In Los Angeles was sinds de jaren ’20 geen openbaar vervoer meer. Maar in de jaren ’90 botste het experiment op haar grenzen en bouwde de stad een metronetwerk om de totale verkeerscongestie tegen te gaan. Het idee achter Los Angeles’ stadsplanning was dat stedelijkheid niet bepaald wordt door densiteit en territorialiteit, maar door een stedelijke cultuur. Een model dat de wereld rondging in de twintigste eeuw. De groei van Los Angeles ging snel gepaard met reacties die niet van stedelijkheid getuigden. Los Angeles botste als eerste op een sterke NIMBY of Not in my backyard - verzet tegen de nodige infrastructuur om het concept van autosnelwegstad in stand te houden. New York, dat veel zwaardere infrastructurele ingrepen moest doen had daar in de stedelijke context minder last van. Anderzijds botste Los Angeles op een totale verkeerscongestie. Los Angeles als stedelijke illusie, besluit Hall, zonder echte stedelijke cultuur?


Tot slot gidst Peter Hall de lezer nog naar twee andere totale tegenpolen van stadsplanning en stadsontwikkeling: Stockholm (tussen 1945 en 1980), het sociaal-democratische kapitalisme en Londen (tussen 1979 en 1993), het wilde kapitalisme. De Zweedse welvaartsstaat is gebouwd op een sterke consensus tussen de sociaal-democraten en het bedrijfsleven. De economie was er kapitalistisch, het woonbeleid bijvoorbeeld was er sterk egalitair en vanuit de overheid georganiseerd. Stockholm werd na WOII door stadsplanners uitgebouwd. Volledige randsteden werden vanuit de theorie in de praktijk omgezet, met een berekend aanbod aan eigen voorzieningen, een berekende mobiliteit en functieverdeling met de centrumstad en andere randsteden. De woonvorm die werd aangemoedigd was het appartement, niet de eengezinswoning. Naast de mobiliteit werd ook de sociale mix georganiseerd in de plannen. Het heeft ook allemaal gewerkt.


De sociaal-democratische utopie heeft dus haar verdiensten en heeft in het Zweden van de jaren ’30 tot ‘80 duidelijke electorale legitimiteit genoten. Maar vanaf de jaren ‘80 stootte het systeem op haar eigen grenzen. Ook het sociaal-democratische Zweden ontsnapte niet aan de crisis van de jaren ’80. Het land kon het kostelijke huisvestingsbeleid eenzijdig door de overheid bestuurd niet meer bekostigen. Bovendien sloot het niet aan op de verwachtingen van vele Zweden.


Huisvesting en het gebrek eraan was een permanent thema in de Zweedse politiek. Het is het Stockholm van inspecteur Martin Beck uit de detectives van Sjöwall en Wahlöo waar iedereen klein woont en voortdurend over wonen praat. Het progressieve Zweedse design bleek in grote concentratie eentonige en desolate wijken te scheppen. De modernistische designwijken in de artificiële randsteden liepen vol met immigranten en kennen de gebruikelijke grootstedelijke problemen. De Zweden gingen na 70 jaar sociaal-democratie op zoek naar hun ééngezinswoning. Al blijft de Zweedse mentaliteit, door de jaren heen geboetseerd door het solidaire denken en door sociaal-democratische media sterk collectief geïnspireerd, het collectieve verliest aan impact. Stockholm ontwikkelt zich sinds de jaren ’90 spontaan als de meeste andere Europese steden.


In Londen zijn het de Docklands die de aandacht van Peter Hall krijgen. Ooit waren ze de trots van de stad en het handelscentrum van het hele Britse rijk. Maar decennium na decennium nam het verval toe. De Docklands verloren hun rol onder andere door de uitbouw van moderne haventechnieken en containerparken dichter bij zee. In de loop van de jaren ’80 ontstond de London Docklands Development Corporation (LDDC). Die deed met grote overheidsmiddelen aan stadsrenovatie, van het centrum tot aan de haven. Michael Hesseltine zou, eens de Tories het roer weer overnamen, het LDDC vrij dirigistisch aanwenden voor een uitzonderlijk grootscheepse stadsrenovatie in de Docklands. De Thatcherregering trok massaal nieuwe bedrijven aan in de Docklands, hoofdzakelijk uit de banksector. Ze deed dit via het LDDC, zonder overleg met de plaatselijke overheden, tegen de straatrellen en het protest in, zonder basisinfrastructuur voor mobiliteit en zelfs zonder globaal plan. Werd het een succes?


Uitgerekend onder Thatcher, de wereldwijde verpersoonlijking van het conservatieve neo-liberalisme en de minimale staat, werd dit ‘wellicht het meest gesubsidieerde commerciële ontwikkelingsproject ooit’. Balans: het verlies van 20.000 bestaande jobs in de Docklands, maar op hetzelfde ogenblik de creatie van 41.000 nieuwe jobs. Wellicht zouden de verloren jobs hoe dan ook verdwenen zijn, LDDC-project of niet, omdat ze in afkalvende sectoren waren. Maar het waren wel laaggeschoolde jobs voor de lokale bevolking. De nieuwe jobs zijn hooggeschoolde. Het valt moeilijk te zeggen of het project geslaagd is. De Docklands gaven Londen een nieuwe dynamiek (Wall Street on the Thames). De Tories zelf stuurden het project, na de Thatcher-jaren zelf bij inzake mobiliteit en beroepsopleiding. Hesseltine zelf zou in latere projecten waar hij moest optreden als minister, niet meer even hard en zonder consultatie te werk gaan. Uit de LDDC-saga heeft men ook geleerd in Londen dat er vooraf aan basisinfrastructuur moet gedacht worden. Het wilde kapitalisme botste op haar eigen grenzen inzake stedelijke planning.


5. The Union of Art, Technology and Organisation (The City of the Coming Golden Age)


Peter Hall besluit zijn monumental overzicht met een voorspelling. De overgang van de 20ste-eeuw naar de 21ste-eeuw is ook de overgang van de industriële naar de informatie-economie. De PC en de informatiesnelweg (de verschillende bekabelingstechnieken die het internet mogelijk maken) zijn de technologische vernieuwingen die voortkomen uit een nieuwe Kondratieffcyclus in de economische ontwikkeling. Ook deze keer is het niet zozeer de uitvinding zelf, maar de manier waarop ze word aangewend en commercieel geëxploiteerd die de ware revolutie/evolutie bepaalt. De nieuwe informatietechnieken hebben niet de voorspelde ‘death of distance’ ingeluid. Integendeel, hoe meer telecommunicatie, hoe meer er ook nood is aan face to face-overleg dat erop volgt. De telecommunicatie zwakt de agglomeratie-economie niet af, maar versterkt ze. Netwerking wordt alsmaar belangrijker en de economische activiteit clustert nog sterker in steden, in hun centrum (zowel wat productie als consumptie betreft). Steden trekken van oudsher ‘arty types’ aan. En de nieuwe groeiende sectoren worden gedreven door een soort ‘contrary imagination’: een mix tussen de klassieke wetenschappelijk-technische innovatie van de wetenschapper en de onconventionele creativiteit van de artist.


Dit verhaal sluit vlekkeloos aan bij het verhaal dat Richard Florida later in The Rise of the Creative Class zal uitwerken. Ook Hall is net als Florida niet blind voor de sociale gevolgen. Er bestaat een gevaar voor een nieuwe kloof tussen zij die meekunnen in de informatie-economie en de nieuwe have-nots die niet meekunnen. Maar ook Hall sluit liever aan bij een voluntaristische dan een defaitistische analyse. Niet alleen is het zo dat tot op heden de informatiemaatschappij meer jobs creëert dan ze vernietigt (volgens OECD-rapporten), bovendien is het inspelen op de nieuwe evoluties ook een kwestie van beleidskeuzes. Net als de overgang in vorige economische cycli van een beperkt, duur en elitair onderwijs naar een goedkoop democratisch onderwijs in de meeste landen een kwestie van beleidskeuzes was.


Maar Hall’s voluntarisme gaat over meer dan de dreigende sociale kloof. Creativiteit en een creatieve omgeving is niet langer een loutere meevaller door omstandigheden in een aantal uitzonderlijke steden in de loop van de geschiedenis. Steden moeten zelf investeren in hun mogelijke succes. Dit betekent investeren in een mix van artistieke creativiteit, technologische innovatie en stedelijke organisatie. Dit laatste, stedelijke organisatie, is essentieel. Net als steden creatief waren in het zoeken naar oplossingen voor waterproblemen en riolering, moeten ze vandaag creatief zijn in het aanbieden van een kwalitatief stedelijk leefkader. De steden die daarin slagen hebben een streepje voor.


De duizend bladzijden compacte eruditie over stedelijkheid in historisch perspectief die Hall ons voorschotelt zijn uiteraard ook vatbaar voor kritiek. Eerst en vooral door de keuze van de voorbeelden. Een Brits criticus verwonderde er zich over waarom er geen enkele stad uit de lage landen was opgenomen in het rijtje en waarom Hall ook niet gezocht heeft naar tegenvoorbeelden die zijn stellingen over stedelijk succes kunnen weerleggen. Peter Hall’s Cities in Civilisation lees je dan ook het best als een persoonlijk verhaal over stedelijkheid, als een bron van informatie die vlot leest en als een pleidooi voor stedelijk voluntarisme en optimisme.

Recensie: Johan Basiliades

terug naar startpagina