Brussel op: www.basiliades.be

De mythe van de staat

Bespreking: Johan Basiliades voor www.liberales.be
Boek: Ernst Cassirer, The Myth of the State, Yale University Press, 1946.

Het begrip individuele vrijheid lijkt vandaag wel aanvaard als het basisaxioma van het westers politieke denken. Toch is dit allerminst vanzelfsprekend. Kant waarschuwde dat de vrijheid van het autonoom subject, de mens die handelt overeenkomstig de regel “doe enkel datgene waarvan je wil dat het een universele wet is”, geen gegeven is maar een taak.

De mens als bron van ethiek, het vertrouwen in de menselijke rede is de hoeksteen van het liberalisme. Je kan het ontstaan ervan zelfs historisch vastleggen: het komt samen op met de secularisatie van het politieke denken, met de theorieën over het sociaal contract … John Rawls ziet de eigenheid van de westerse democratische politieke cultuur in het “redelijk pluralisme”. Dit redelijk pluralisme is volgens hem het product (ongewild weliswaar) van de reformatie. Twee absolute waarheden, de katholieke en de gereformeerde, moesten leren samenleven in één Rijk. Isaiah Berlin meent in Two Concepts of Liberty, dat het begrip individuele vrijheid zoals het in de Verlichting opgang maakte, onbekend was voor Grieken en Romeinen. Het is volgens hem nauwelijks ouder dan de Renaissance en de reformatie.

We gaan er vaak vanuit dat Rome en het Romeinse Rijk geen originele bijdrage tot het westers denken hebben geleverd, maar gewoon de Griekse filosofie hebben overgenomen. Ernst Cassirer wijst in The Myth of the State op de authentieke bijdrage van Seneca, de slaaf, en Marcus Aurelius, de keizer-filosoof (voor velen bekend als de verlichte en vermoorde keizer uit het begin van de film Gladiator). Beide hebben het stoïcisme verrijkt met de idee van universele gelijkheid en waardigheid van de mens. Hier was al een duidelijke aanzet tot secularisatie van de ethiek. De middeleeuwse filosofie, ook al deed ze zo haar best om naast een theologische ook een rationele onderbouw voor de ethiek te bieden, kon door die dualiteit geen weg uit met die stoïcijnse erfenis.

Cassirer geeft vervolgens aan dat ten tijde van de reformatie, door de verdeeldheid van de voor eeuwen aangenomen ene absolute waarheid in de westerse wereld, er weer ruimte komt voor die stoïcijnse erfenis. Alle verlichte denkers waren er bewust of onbewust van doordrongen, meent Cassirer. De sociale-contracttheorieën zijn er een logisch gevolg van. De Universele Verklaring van de rechten van de mens en de filosofie van Kant zijn de hoogtepunten. Ethiek is een zaak van het autonoom en universeel gelijkwaardig individu.

In schril contrast met deze rationele visie op de staat, samenleving en politiek zag en ondervond Cassirer in de jaren ’30 de opkomst van Nazi-Duitsland. De Mythe van de staat is het laatste, postuum uitgegeven boek van Ernst Cassirer (1946). Hij schreef het in het Engels tussen 1943 en ’44, nog voor de afloop van de oorlog op vraag van vrienden, collega’s en studenten die hem voortdurend confronteerden met de vraag: “Hoe is het zover kunnen komen in Duitsland?” Enrst Cassirer was geen politiek denker. Hij genoot faam in Duitsland en ver daarbuiten als kenner van Kant, als historicus van de Verlichting. Hij legde zich echter voornamelijk toe op kennisleer (de filosofie van de symbolische vormen). Als Duitse Jood ging hij in 1933 op de vlucht. Hij belandde finaal als hoogleraar in Yale (VS). Deze context maakt van The Myth of the State een bijzonder waardevol tijdsdocument.

In de XIXe eeuw ziet Cassirer allerlei stromingen opkomen die zich één voor één verzetten tegen het rationalisme van de Verlichting. Geen van deze stromingen op zich is de voorloper van het fascisme. Er was meer nodig dan dit om Nazi-Duisland mogelijk te maken. Zelfs in de meest eenvoudige samenlevingen is de plaats van de mythe en de rituelen beperkt. Niet alle dagdagelijkse handelingen waren er aan onderworpen. Mythe duikt op daar waar mensen zich geconfronteerd zien met omstandigheden die de natuurlijke krachten te boven gaan.

Was dit dan niet het geval in het Duitsland van de jaren ’20? Na de vernedering van de oorlog en burgeroorlog kwam de ene economische crisis na de andere, sukkelde Duitsland met ongekende muntontwaarding, chaos en politieke onmacht … Dit was volgens Cassirer de voedingsbodem voor een nieuwe mythe: “als de rede faalt, is er nog steeds de ultima ratio, de kracht van mirakels en mysteries”. Maar de moderne mens, de Duitser anno 1933, zelfs gedreven door collectieve passies en irrationele impulsen, kan niet zomaar afstand doen van de rede om op te gaan in een mythe. De XXe eeuwse westerling had een “rationele” verklaring nodig om meegesleurd te worden in de mythe van de Duitse staat.

Deze zogenaamde rationele onderbouw vindt hij terug in de XIX e eeuwse critici van de Verlichting. Niet zozeer de Duitse romantici, die waren nog te liberaal, maar wel de ideeën van Carlyle over de verheerlijking van de held in de geschiedenis, de theorieën van Gobineau over de ongelijkheid tussen racen en de suprematie van het arische ras en Hegels filosofie van de geschiedenis en incarnatie van de wereldgeest in de staat. Keer op keer XIXe eeuwse systemen die de autonome rede van de mens in de geschiedenis in vraag stellen en opofferen aan een hogere theorie met rationele pretentie. Carlyle, Gobineau en Hegel gingen er ieder inderdaad van uit dat ze een verklarend principe voor het verloop van de geschiedenis van de mensheid hadden gevonden (vergelijkbaar met Newtons theorie van de zwaartekracht in de natuurwetenschappen). Bij Carlyle is dat principe de held. De geschiedenis wordt bepaald door bijzondere mensen. Bij Gobineau is dat principe het ras, meer bepaald het arische ras.

Bij Hegel is dat principe de rede zelf die in de geschiedenis aanwezig is. Toen Napoleon in Jena in 1806 Pruisen vernederde, was het Franse keizerrijk de incarnatie van de Geest in de wereld. Enkele jaren later bij de Pruisische overwinning werd dat de Pruisische staat. En zoals Hegel het zegt: de natie die de weltgeist incarneert in een welbepaald stadium van haar ontwikkeling heeft alle rechten. Andere naties hebben geen enkel recht, ook niet de dragers van de weltgeist in een vroeger stadium van de ontwikkeling van de weltgeist. De sterke staat van het moment is dan ook de incarnatie van de rede op dat ogenblik.

Carlyle zou Hitler nooit als een held hebben beschouwd. De morele eisen die hij aan zijn helden in de geschiedenis stelde waren daarvoor te hoog. Gobineau was een aristocraat. Ieder nationalistisch gevoel was hem vreemd. Net als er voor hem geen Frans Volk bestond, kon er ook geen superieur Duits volk bestaan. Aristocraten hebben niets gemeen met het plebs en vormen dus zeker geen volk samen. En ook Hegel was zich niet bewust van de impact van deze theorie. Voor hem is de staat, de ontwikkeling van de objectieve geest maar een tussenstap in die hele dialectiek naar de Absolute Idee die hij uitwerkte.

De mythe van de staat die Cassirer had zien ontstaan in Nazi-Duitsland was geen primitieve mythe, maar een hooggesofisticeerde manipulatie van bestaande theorieën met een glans van rationalisme. De onafhankelijke geest van de mens moest meer en meer plaats ruimen voor een moraal die berust op de groep, het ras en de staat.

Het in de jaren ’30 toonaangevend filosofisch en cultureel denken was volgens Cassirer niet opgewassen tegen die evolutie: het toonaangevend boek van Oswald Spengler Untergang des Abendlandes, baadde in pessimisme en Heiddeggers Geworfenheid in een soort existentieel fatalisme. Filosofie is trouwens hoe dan ook niet opgewassen tegen politieke mythes zoals de mythe van de staat in Nazi-Duitsland. Cassirer roept de filosofen op de vijand zeer goed te leren kennen, het mechanisme te begrijpen, de manipulatie van het denken dat erin schuilt te ontmaskeren. Dit moet op zijn minst helpen dat dit in de toekomst niet meer kan gebeuren schreef Cassirer in 1944.

Of er nu een lijn te trekken valt van Carlyle, Gobineau en Hegel naar het nazisme is op zich niet zo belangrijk. Ook Isaiah Berlin had vanuit zijn ervaring behoefte om na de oorlog in de ideeëngeschiedenis het nazisme te verklaren (o.a. in Joseph de Maistre en het fascisme (1960). Wat wel belangrijk is, is dat Cassirer, net als Berlin en net als vele liberale denkers steeds opnieuw waarschuwen tegen theorieën met een rationeel vernis die de onafhankelijke geest van de individuele mens onderdrukken.

Bespreking: Johan Basiliades
Boek: Ernst Cassirer, The Myth of the State, Yale University Press ,1946.



terug naar startpagina