Brussel op: www.basiliades.be

‘Stadslucht maakt vrij: de klassestrijd voorbij'
De stad is motor van regionale welvaart
door Sven Gatz & Johan Basiliades

Uit: Ruimte & Planning. Tijdschrift voor Ruimtelijke planning, stedenbouw en huisvesting (jaargang 27, nr.1, 2007) Rubriek Woord en wederwoord. reactie op bijdrage "En toen schiep de middenklasse de binnenstad naar zijn beeld en gelijkenis. Gentrifiëring is geen motor voor stadsvernieuwing" door Guy Baeten

Toen we samen met een aantal liberalen uit Vlaamse steden in 2004 het initiatief “Stadslucht Maakt Vrij” hebben opgestart en het liberaal stedenmanifest hebben uitgeschreven wilden we het debat over stedelijkheid in Vlaanderen aanwakkeren vanuit een liberale visie (1) . Gentrificatie was één element in dit verhaal. Het opzet voor ons project, waar ook het middeleeuwse adagium “Stadslucht Maakt Vrij” naar verwijst, is breder: namelijk stedelijkheid als motor van regionale welvaart.

Met dit breder kader in het achterhoofd willen we ons antwoord op de tekst van Guy Baeten in drie punten opdelen: 1) wij delen het rigide klassendenken van Guy Baeten niet, 2) we schetsen de kerngedachte van het “Stadslucht maakt vrij” project nogmaals en 3) we verduidelijken ons standpunt m.b.t. het herverdelingsvraagstuk binnen de stad.

C’est la lutte …

De bijdrage van Guy Baeten is geen alleenstaande tekst, het is veeleer een scherpere en meer opiniërende versie van analyses die sociaal-geografen als Christian Kesteloot of sociologen als Eric Corijn al regelmatig in het debat over stedelijkheid in Vlaanderen en Brussel hebben inbracht.(2) De fascinatie in dit type bijdragen voor de klassenstrijd is fascinerend. Gentrificatie is dan de wraak van de elite, de bange blanke middenklasse, intolerant voor niet-middenklasse belangen, waarden en normen op de lagere klassen, de etnische minderheden, de mediterrane inwijkelingen en de autochtone arbeidersklasse. Kesteloot spreekt van enerzijds de politiek sterke stadsbewoners en stadsgebruikers (middenklasse) en anderzijds de politiek zwakke centrale stadsbewoners (armen, voornamelijk uit verschillende migratiegolven).

Deze analyses op basis van klassenconflicten leveren doorgaans, ook voor liberaal geïnspireerde politici, juiste en nuttige inzichten op zoals de onmiskenbare dreiging tot dualisering van de stad, processen van quasi sociaal en etnisch erfelijke achterstelling, verloedering en verkrotting ten gevolge van speculatie op gronden door de haves en ten nadele van de havenots, witte en zwarte scholen …

Het is doorgaans bij de aanhef van het lied – c’est la lutte finale, groupons nous et demain… - dat we afhaken. We zien geen heil in het aanwakkeren van klassenconflicten die als je de zuivere marxistische leer tot het uiterste drijft onmiddellijke deeloplossingen ontmoedigen of afdoen als schijnbeleid omdat het de totale oplossing, de clasch uitstelt. Maar ook het smeulend houden van de klassenstrijd staat haaks op onze visie gericht op individuele emancipatie, secularisatie, aanreiken van kansen en rechtvaardige herverdeling van middelen. We geloven in sociale mobiliteit, in individuele creativiteit en binnen de grenzen van de rechtvaardigheid in samenwerking en concurrentie, in de vrije markt en in meritocratie.

Het beeld van de klassenstrijd berust ook in een soort fatalisme dat niet strookt met wat we menen te ervaren in de samenleving. In de tekst van Guy Baeten staat de middenklasse voor homogeniteit en voorspelbaarheid, voor alles wat de stad niet is. Elke hoop, waarvan wij nochtans menen de kiemen waar te nemen, zeker in de steden, van een generatie die opgroeit in een samenleving voor wie diversiteit en complexiteit een gegeven is, vaak zelfs een extra stimulans en uitdaging, wordt opgegeven ten voordele van een conflictmodel.

Dit laatste sluit aan bij een andere bedenking bij de tekst van Guy Beaten. De tekst gaat uit van een intentieproces van de middenklasse die zich in de steden vestigt. De multiculturele realiteit van de middenklasse zou niet meer zijn dan een exotisch naamloos consumptiegoed voor de cosmopolitische liberaal, exotisch eten en drinken voor de hooggeschoolde welbetaalde, vrijdenkende middenklasse opgediend door vriendelijke kelners van vreemde origine. De terugkerende gentry, met hun intolerantie en exclusiviteit voor niet-middenklasse belangen vertrappelen de ziel van de binnenstad, ze maken de binnenstad klinisch dood omdat de essentie, de ziel van de stad bestaat uit heterogeniteit, conflict en verschil, toevalligheid, ongemakkelijkheid en onvoorspelbaarheid, inclusiviteit en tolerantie, samengebald in een kleine ruimte. Dit zijn intenties die worden toegeschreven aan de middenklasse qualitate qua. Maar op grond waarvan? Gewoon op basis van een gemiddelde levensstijl? Het is een proces op basis van vermeende opvattingen.

Tot slot, wat dit eerste punt betreft, is ons helemaal niet duidelijk waartoe de analyse van Guy Baeten moet leiden. Enkel de laatste zin geeft een alternatief: “In plaats van gentrifiëring verkeerdelijk voor te stellen als motor voor stadsvernieuwing, is de taak van bewindslui om gentrifiëring te sturen en te temperen”. Het liberaal stedenmanifest vroeg enkel om dit proces aan te moedigen, maar ook te corrigeren. Kesteloot biedt in zijn gelijkaardige, maar genuanceerdere tekst (3) wel een alternatief: de overlegstad in plaats van de repressieve stad. Maar om die analyse van Christian Kesteloot te delen moet je het vooreerst al een s zijn dat de inwijking van middenklasse, in het klassenstrijdmodel, een vorm van repressieve stad creëert. Quod non. Wat Kesteloot wel treffend verwoordt is de nood aan territoriale, electorale en fiscale maatregelen die stedelijke belangen in een regio en land beter tot uiting laten komen.

Wat noch bij Guy Baeten, noch bij Kesteloot aan bod komt is het meta-verhaal. Waarom is stedelijkheid belangrijk? Ze gaan niet in op de rol van de grootstad en het stedelijk leven in een samenleving in het algemeen. Dit is nu net de kern van het verhaal achter de noemer Stadslucht Maakt Vrij. “Als het goed gaat met de Vlaamse steden zal het goed gaan met Vlaanderen” was de slotzin van het Liberaal stedenmanifest.

Stadslucht maakt vrij

De laatste twee à drie decennia menen we in de internationale economie een nieuwe trend waar te nemen. De globalisering van de wereldeconomie vermindert de greep van nationale staten op hun economisch beleid. De sturende rol van lokale economie word nu overgenomen door regio’s en hun stedelijke kern: Montréal in Québec, Glasgow in Schotland, Barcelona in Catalonië, Bilbao in Baskenland, Rijsel in Nord-pas-de-Calais en Lyon in Zuid-Frankrijk, Dublin in Ierland, Milaan in Noord-Italië, Austin in Texas, Seattle in het Noord-Westen van de VS … , naast de toegenomen rol van werldmetropolen als Parijs, New-York of Londen. Het economisch en politiek gewicht van deze grote en middelgrote steden neemt toe. Zij zijn de motor van de lokale welvaartcreatie. Het is in en rond deze steden dat de “welvaarts-taart” wordt gemaakt die we verdelen en consumeren.

De voorbeelden hierboven zijn min of meer succesvoorbeelden van steden die een soort boom hebben gekend de laatste decennia. Hiermee geven we aan dat dat succes niet vanzelfsprekend is, maar dat het een concurrentie tussen regio’s en vooral hun steden is. In het befaamde Cities in civilisation besluit Peter Hall met: “Geen stad kan vandaag in de globale economie nog op haar lauweren rusten. Het is de taak van het beleid een succesvolle stad te zijn”.(4) In de aanhef van het Stedenmanifest staat: “Wij denken dat steden die willen meetellen in het Europa van morgen, in het Vlaanderen van vandaag ambitie moeten hebben”(5).

“Hoe kunnen we ook onze steden terug centraal stellen en hen de middelen geven om succesrijk te zijn?” was ons uitgangspunt.

Vooreerst is er het politiek en financieel gewicht van de steden.

In het liberaal stedenmanifest hebben we de term “grootstedelijke staatshervorming” gebruikt. De voorbije decennia werd ons land institutioneel aangepast aan de culturele en taalkundige realiteit door een doorgedreven vorm van federalisme. Maar ook de verhouding tussen steden, randgemeenten en platteland is op het terrein grondig veranderd zonder dat de politieke instellingen en de financiële mechanismen in ons land daar aan werden aangepast. Ons pleidooi sluit hier dus aan bij Kesteloots analyse dat er “structurele aanpassingen nodig zijn in de institutionele en ruimtelijke organisatie van de stedelijke politiek op drie met elkaar verweven domeinen: territoriaal, electoraal en fiscaal.”(6)

Een aantal fiscale voorstellen moeten het budgettaire gewicht van de stad vergroten. We denken aan een billijker verdeling van de inverkeerstellingstaks en de personenbelasting, dus niet enkel op plaats van verblijf, maar ook op plaats van tewerkstelling. We denken ook aan een berekening van de onroerende voorheffing die niet enkel rekening houdt met het kadastraal inkomen, dus de geschatte waarde van een woning, maar ook met de maatschappelijke kost in de keuze van de woonplaats. Wie in de stad woont kost minder aan basisinfrastructuur, milieuvervuiling, mobiliteit, … Fiscaliteit is nooit neutraal. De huidige fiscaliteit is ons inziens om historische reden in het nadeel van de steden en hun inwoners.

Wijzigingen in de kiesomschrijvingen, vormen van stadsgewesten zijn elementen die het politiek gewicht van steden kunnen laten toenemen. Ook het lokaal stemrecht voor niet-Belgen is daar één element in, waar wij persoonlijk achterstaan. Al geloven wij dat dit verlenen van het zogenaamde migrantenstemrecht weinig concreet politiek effect heeft, maar eerder belangrijk was in het zwaar symbolisch geladen debat dat daar rond ontstond tussen ca.1995 en 2004. In dit debat, dat volgens ons nog weinig met de rechtstreekse inspraak aldusdanig van niet-Belgen te maken had, gelet op het effect onder andere van de snel-Belgwet die deze bekommernis ruimschoots ondervangen heeft, ging het meer en meer over hoe we staan t.o.v. diversiteit. Hier hebben de Vlaamse Liberalen ons inziens, met juiste argumenten, toch de foute keuze gemaakt, want wat blijft hangen zijn niet de democratische principes die de

VLD heeft aangehaald, maar het beeld van verzet tegen diversiteit. En dit is een beeld dat niet past bij een liberale partij en dat bovendien niet strookt met de werkelijkheid.

Een vooruitstrevende stad

Rock ’n roll socioloog Richard Florida toonde in zijn bestseller The Rise of the Creative Class aan op basis van een aantal becijferde parameters dat steden die tolerant zijn, waar een bloeiende gay-scene is, waar een hip uitgaansleven is, waar ruimte is voor experiment en ontspanning, creatieve mensen aantrekt en dat die creatieve mensen de zuurstof geven aan de creatieve economie waarop de toekomstige welvaart van een stad en haar regio wordt opgebouwd. Gelijkaardige verhalen vinden we al enkele decennia terug bij andere auteurs. Kern van het verhaal is dat deze auteurs, in tegenstelling tot Neil Smith, in fenomenen als gentrification, naast problemen ook mogelijkheden voor de stad en vooral voor de rol van de stad in een breder verhaal zien. Een auteur als Peter Hall ziet de manier waarop we creatief de stedelijke levenskwaliteit voor de inwoners in een moderne grootstad kunnen verbeteren, als één belangrijk element van economische bloei.(7)

Om dit te bereiken moet het beleid dus enerzijds investeren in tolerantie en diversiteit en anderzijds in levenskwaliteit om die nieuwkomers aan te trekken en binnen de stad te houden.

Het investeren in diversiteit hebben wij “Vlaanderen mentaal verstedelijken” genoemd. (8) De stedelijke realiteit, om het met Guy Baeten te omschrijven het conflict en verschil, toevalligheid, ongemakkelijkheid en onvoorspelbaarheid, inclusiviteit en tolerantie, samengebald in een kleine ruimte, moet niet enkel aangewakkerd worden in de steden en vooral binnensteden, maar moet een breed draagvlak vinden in Vlaanderen.

Dit Richard Florida-verhaal is een voluntaristisch verhaal. Het is een verhaal dat uitgaat van een zeer sterke openheid van de nieuwkomers in de steden voor de stedelijke diversiteit en dat bovendien een oproep is voor tolerantie niet enkel op basis van ethische principes, maar ook op basis van economische voordelen.

Het investeren in de levenskwaliteit van de middenklasse in de stad heeft alles te maken met enerzijds het verbreden van het budgettair draagvlak van de stad en anderzijds het milderen van de dualisering in de stad door een grotere mix in sociale samenstelling te verzekeren. In een progressief belastingsysteem zoals het onze is de middenklasse qua rechtstreekse belastingen een interessante doelgroep om de stedelijke kas te spijzen. Econoom Bruno Heydels gaf het volgende voorbeeld: neem een stad van 10.000 inwoners. Het vertrek van de 200 inwoners met de hoogste directe belastingen is budgettair vergelijkbaar met het vertrek van 5000 inwoners met de laagste directe belastingen. Hij noemt dit de budgettaire waarde van een tevreden belastingbetaler. We moeten die belastingbetaler in de stad koesteren. Het doel van een beleid gericht op het aantrekken van middenklasse is dus niet gericht op de massale verdringing van minder kapitaalkrachtige bevolkingsgroepen en het inpalmen van de stad, maar op het zoeken naar een evenwicht waar het gemiddeld belastbaar inkomen in de stad minstens gelijk is aan dat buiten de stad. Om bij het voorbeeld te blijven, in een ideale situatie moeten we niet streven naar een beleid gericht om binnen die 10.000 inwoners een aandeel van de budgettair minder aantrekkelijke inwoners te vervangen door “tevreden belastingbetalers”, maar door inbreiding van de stad van 10.000 inwoners naar 10.500, waarvan een aanzienlijk deel van het positief saldo bestaat uit “tevreden belastinbetalers”. Vandaar de nadruk in het Liberaal stedenmanifest en verwante bijdragen op de mogelijkheden van nieuwe woonvormen in oude industriële panden en om hoogbouw en verkaveling van oude industrieterreinen (brouwnfields) ook met middenklassenwoningen aan te moedigen. Het zijn strategieën die naar een nettowinst van woningen streven.

Centrumfunctie herstellen

Een stad is er niet alleen voor de inwoners. Een stad heeft pas zin als ze een breed draagvlak heeft buiten de stad en fungeert als economisch, cultureel, intellectueel centrum voor een regio. Ruimtelijk betekent dit dat de stad, niet enkel de binnenstad, maar ook buitenwijken, toegankelijk en nuttig is. Maar dit betekent ook dat het ruimtelijke beleid buiten de stad, de stad geen oneerlijke concurrentie mag aandoen. Maar breder dan enkel ruimtelijk willen we ook een beleid dat de Vlaamse mentaliteit t.a.v. de steden wijzigt.

Tot slot: een gunstig investeringsklimaat

Creatieve mensen lokken naar de steden is één zaak, maar het succes van steden als Dublin in Ierland in het voorbije decennium, (hét succesverhaal van de groene tijger binnen Europa) is niet enkel aan de nieuwe openheid te danken, maar de basis lag in de lage belastingstarieven voor arbeid en bedrijven en de goede infrastructuur. (9)

Het herverdelingsvraagstuk

Met het project “Stadslucht Maakt Vrij” zijn we niet ingegaan op het herverdelingsvraagstuk, op de vraag hoe de gegenereerde welvaart in die regio moet verdeeld worden. We zijn er ook niet aan voorbij gegaan. We hebben ons inderdaad beperkt tot de vaststellingen dat we het financieel draagvlak van steden willen vergroten om een sociaal beleid te kunnen voeren enerzijds en dat we er ons van bewust waren dat openheid, tolerantie, diversiteit prediken geen garantie op integratie en gelijke kansen is. Daar is meer voor nodig. Door deze onevenredige aandacht tussen het aanmoedigen van een stedelijk economisch succesverhaal aan de ene kant en de bestaande sociale stedelijke problemen aan de andere kant komt ons project voor sommigen wellicht zakelijk over.

Daar is geen reden toe. De mogelijkheid om een sociaal beleid te voeren is afhankelijk van de gecreëerde welvaart. De herverdeling van welvaart via solidariteit (uitkeringen, diensten, sociale huisvesting) of via belastingen is dus afhankelijk van het beschikbare budget hiervoor. Het is afhankelijk van hoe groot de te herverdelen welvaartstaart is. De omvang van de taart binnen de stad staat niet bij voorbaat vast, de grootte van de taart is afhankelijk van de manier waarop je de taart verdeelt (van de vrijheid voor initiatief dat je laat en de mate waarin je dat beloont bijvoorbeeld). In het voorbeeld van Rawls rechvaardigheidstheorie, en de meeste liberale ideeën over een rechtvaardig sociaal beleid zijn varianten op Rawls, mag er een ongelijke verdeling zijn van de taart voor zover na herverdeling het aandeel van de minst begunstigde niet kleiner is dan dat het zou zijn geweest bij een gelijke verdeling. Karikaturaal voorgesteld: A mag tienmaal zoveel verdienen als B door een eigen bedrijf op te richten en winst te boeken als hierdoor de taart groter wordt en hij voldoende afdraagt waardoor ook B geen nadeel haalt in vergelijking met een situatie waarin A niets zou hebben ondernomen. Fiscale maatregelen die nieuwkomers in de stad aantrekken zijn gerechtvaardigd zolang bij afrekening de meerinkomsten die deze nieuwkomers genereren via diensten (bijvoorbeeld bouw van sociale woningen) ook een gunstig effect hebben op het algemeen sociaal beleid in de stad. Het liberale stedenmanifest gaat dus nooit uit van een of… of … hypothese. Of we doen iets voor die middenklasse, of we doen iets voor de achtergestelde groepen. Maar het is een en … en … verhaal waar de mogelijkheid voor het tweede voortvloeit uit de inspanningen voor het eerste.

Maar ook het principe bij Rawls en aanverwanten dat dit enkel geldt onder voorwaarde van voldoende kansen voor iedereen is hier van toepassing. (10) Richard Florida stelde in zijn uiteenzetting dat de tolerantie, en zelfs het actief opzoeken van diversiteit geen effect heeft op bijvoorbeeld de tewerkstelling van afro-amerikanen in die hippe Amerikaanse steden. Daarom ook dat we een actief integratiebeleid, zoals het nu de laatste jaren beetje bij beetje in Vlaanderen wordt uitgebouwd, absoluut noodzakelijk vinden. Daarom ook dat investeren in het onderwijs in de steden (met projecten als het Voorangs Beleid Brussel bijvoorbeeld) zo belangrijk is. Anonieme sollicitaties om discriminatie bij aanwerving te bestrijden, extra aandacht voor vorming, voorwaarden van taalcursussen of taalkennis in de sociale huisvesting, het zijn maatregelen die gericht zijn op individuele emancipatie en die bijdragen tot meer gelijkheid van kansen.

Het is dus zeker niet zo dat wij met het liberaal stedenmanifest kiezen voor een onbegrensde “struggle of the fittest” of in het geval van de gentrificatie van een “struggle of the hippest”. Er zijn dus wel degelijk tal van redenen om die dynamiek af te remmen en bij te sturen. Er zijn ook, weliswaar beperkt, een aantal instrumenten voor het beleid. Het zal altijd in onze logica een pragmatische mix zijn van sociale huisvesting, huursubsidies, normering van de privé huurmarkt, bestemming van gronden in de ruimtelijke plannen, integratie en non-discriminatiemaatregelen, … Het zal een evenwichtsoefening zijn tussen deze maatregelen en het niet afremmen van de positieve aspecten van de bestaande dynamiek die stedelijkheid stuurt.

Dit oogt als verhaal allemaal misschien minder spectaculair dan “het verzet van de have not’s” tegen “de stad van de wraak”. Maar het maakt er de uitdaging voor de steden en het stedenbeleid niet minder ambitieus door. Het kan niet goed zijn om één aspect, de gentrificatie, uit het stedelijk verhaal te lichten, er al je pijlen van ongenoegen over stedelijke problemen op af te schieten, en vervolgens de rol die die steden in onze welvaartscreatie moeten spelen uit het oog te verliezen. In deze bijdrage hebben wij vanuit een liberale benadering het volledige plaatje nog eens voor ogen gehouden.

Sven Gats is Vlaams Volksvertegenwoordiger voor de VLD voor de kieskring Brussel en voorzitter van de Commissie Algemeen Beleid, Financiën en Begroting in het Vlaams Parlement.
Johan Basiliades is fractiesecretaris van de VLD-fractie in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement.

(1) Stadslucht Maakt Vrij is een initiatief opgestart begin 2004 door Brusselaar en Vlaams volksvertegenwoordiger Sven Gatz, de Gentse eerste schepen Sas van Rouveroij en Antwerps ondernemer Christian Leysen

(2) We verwijzen voor deze bijdragen ook naar Sven GATZ “Stadslucht Maakt Vrij, de klassenstrijd voorbij” op www.gatz.be Dit is de kritische bijdrage van Sven GATZ voor het 27ste Vlaams Wetenschappelijk Economisch Congres (19 oktober 2006), op de visietekst van de referenten Christian Kesteloot en Mathieu Van Criekingen, “De Sociaal-ruimtelijke structuur van onze steden en haar maatschappelijke gevolgen”.

(3) Christian KESTELOOT en Mathieu VAN CRIEKINGEN, “De Sociaal-ruimtelijke structuur van onze steden en haar maatschappelijke gevolgen”, 27ste Vlaams Wetenschappelijk Economisch Congres (19 oktober 2006). Zie ook Christian KESTELOOT, “Verstedelijking in Vlaanderen: problemen, kansen en uitdagingen voor het beleid van de 21ste eeuw”, in: De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden. Voorstudies. Administratie Binnenlandse Aangelegenheden Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel, blz.15-39.

(4) Peter HALL, Cities in Civilisation, Culture, Innovation and Urban Order, (Londen, Weifeld&Nicolson, 1998). Zie ook bijdrage van Peter Hall onder zelfde titel in Plan Canada, Vol.41, nr.3, 2001.

(5) Sven GATZ, Sas VAN ROUVEROIJ en Christian LEYSEN, “Liberaal stedenmanifest” in: Patrick STOUTHUYSEN en Johan BASILIADES (red.), Stadslucht maakt vrij, (VUBPRESS, Brussel, 2005) blz.57.

(6) Liberaal styedenmanifest, op cit. Een aantal zeer interessante denkpistes hierover worden ook aangebracht in de bijdrage van Kris DESCHOUWER, “Steden en asymmetrische staatshervormingen” in Stadslucht maakt vrij, (VUBPRESS, Brussel, 2005).

(7) Zie Johan BASILIADES, “Stedelijkheid, de sleutel tot regionaal succes” in: Stadslucht maakt vrij, (VUBPRESS, Brussel, 2005); Richard FLORIDA, The Rise of the Creative Class. And how it’s Transforming Work, Leisure and Everyday Life (New-York, Basic Books, 2002); Peter HALL, Cities in Civilisation, op cit.; Gunnar TÖRNQVIST, Creativity an the Renewal of Regional Life, in: Anne BUTTIMER (ed.) Creativity and Context, (Lund, Royal University of Lund, 1983) blz.91-112.

(8) “Vlaanderen mentaal verstedelijken” in: Stadslucht maakt vrij, (VUBPRESS, Brussel, 2005). Deze bijdrage werd ook gepubliceert in: Ruimte & Planning. Tijdschrift voor Ruimtelijke planning, stedenbouw en huisvesting, 2005, jaargang 25, nr.1.

(9) Luc HENS wijst terecht op dit aspect in zijn kritiek op het liberaal stedenmanifest en op het denken van Richard Florida in zijn bijdrage “Creatief met kurk. Enkele kanttekeningenbij Florida’s creatieve klasse” in Stadslucht maakt vrij, (VUBPRESS, Brussel, 2005).

(10) Ook het eerste principe van Rawls, met name dat eerst en vooral de basisvrijheden gewaarborgd moeten worden in een rechtvaardige verdeling, is hier van toepassing.

terug naar startpagina