Brussel op: www.basiliades.be

‘Brussel digitale hoofdstad van Europa
Een blik op een voluntaristische aanpak van een werkgeversorganisatie
door Johan Basiliades

Uit: Patrick Stouthuysen en Jan Pille (red), The State of the City - The City is the State ( Stadslucht Maakt Vrij, Sven Gatz, Christian Leysen, Sas van Rouveroij) , VUBPRESS, 2007

In 2004 pakte Agoria, de multisectorfederatie van de technologische industrie, voor het eerst uit met het concept 'digitale Zennevallei'. De Zennevallei zou een buitengewone concentratie van ICT-bedrijvigheid ontwikkelen waarop politiek ingespeeld moet worden om er maximale welvaart en werkgelegenheid voor de regio uit te halen. De Zennevallei loopt van Nijvel (Waals-Brabant) over Brussel-Halle-Vilvoorde (Vlaams-Brabant) naar Mechelen. Brussel is het natuurlijke economische centrum van deze economische cluster.

In 2006 kwam Agoria-Brussel met een plan: Brussel, digitale hoofdstad van Europa. The Iris(h) plan. 'Iris(h)' verwijst naar twee dingen: de ongeziene economische groei van de groene 'Ierse' tijger binnen de EU, maar ook naar de irisbloem, het symbool van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.  Gaat de vergelijking van het plan van Agoria met het Ierse wonder op?

Het plan sluit onmiskenbaar aan bij een trend naar stedelijke specialisatie. Het plan heeft een gespecialiseerde niche voor Brussel gevonden. De vraag is echter of het Ierse succes niet van meer afhing dan van de investeringen in één niche.

Stedelijke specialisatie

Agoria is een lobbyorganisatie voor één bepaalde economische sector. Het Iris(h)plan is enerzijds bedoeld om beleidsmakers te charmeren en te overtuigen om de voor die specifieke sector juiste investeringen te doen. Anderzijds is het de bedoeling om nieuwe initiatieven in de sector te stimuleren of naar België/Brussel aan te trekken.

De boodschap naar het beleid is helder: Brussel en de omliggende regio (de Zennevallei) hebben spontaan, op eigen kracht, een geweldige dynamiek ontwikkeld op het gebied van ICT. De regio kan op dit vlak 'bijna' rivaliseren met Ierland (een begrip dat ieder goed geïnformeerd politicus in Europa doet dromen over fenomenale economische groei en spectaculaire dalingen van de werkloosheid), met het Finse Oulu (of hoe Nokia vanuit het koude noorden de wereld heeft veroverd) en Silicon Valley (het walhalla van de ICT). Brussel kan daar bijna aan tippen. Een tikkeltje meer – de door Agoria in het Iris(h)plan gesuggereerde investeringen in de sector – kan het verschil maken …

Agoria speelt met deze nota in op een bestaande trend die aan kracht wint: de lokale subnationale economische verankering. De rol van steden en regio's, eerder dan van nationale staten, in economische vernieuwing en verankering neemt opnieuw toe. De geschiedenis dient hier als een spiegel. Waar grote (technische en/of artistieke) innovaties zich hebben weten om te zetten in een economische activiteit, heeft dit voor vele jaren een uitstraling op die stad gehad.  Manchester en de spinmachine, Glasgow en de stoomboot, Berlijn en de elektriciteit, Hollywood (Los Angeles) en de film, Memphis en de rock-'n-roll, New York en de entertainmentindustrie, Detroit en de automobielnijverheid, Tokio en de elektronica, Silicon Valley (San Francisco) en de pc … Het Finse Oulu, met zijn successen gebaseerd op Nokia en de mobilofonie, ligt in dezelfde traditie.

We hebben in Vlaanderen een vijftal jaar mogen meedromen met wat ons eigen succesverhaal beloofde te worden: Ieper met de Flanders Language Valley en de spraaktechnologie van Lernhout & Hauspie.

De formule blijft aantrekkelijk: Antwerpen is nu al het diamantcentrum van de wereld, maar wil ook uitgroeien tot een internationale modestad, Kortrijk probeert een eigen profiel te ontwikkelen met design, Brugge wil haar naam als cultuurstad waarmaken door met een ambitieus Concertgebouw het Bokrijkimago van zich af te schudden. In 2004 lanceerde de Brusselse VLD'er Jean-Luc Vanraes het idee van een Hollywood aan de Zenne: Brussel telt nu al een hoge concentratie van bedrijven in de audiovisuele sector en een interessant belastingklimaat maakt het draaien van films in België aantrekkelijk. Daarom stelde Vanraes voor dat Brussel, samen met de privésector, zou investeren in een eigen studio en dat het gewest tal van draaifaciliteiten zou verlenen aan producties. Film is, stelde Vanraes, niet enkel cultuur: het gaat ook om een economische sector die tewerkstelling en inkomsten genereert.

Een stad als Brussel heeft uiteraard nog andere mogelijkheden die met wisselend succes worden gebruikt om zich nationaal en internationaal te specialiseren en profileren, gaande van Kuifje en de rijke Belgische stripverhaalcultuur, over chocolade en bier, tot wat misschien de absolute Brusselse troef vormt, namelijk het 'hoofdstadzijn'.

Brussel trok in het verleden bewust de kaart om uit te groeien tot een administratief beslissingscentrum, als strategie om zich internationaal te profileren. Brussel ontleent haar belangrijkste bron van inkomsten en tewerkstelling aan de hoofdstadfunctie die de stad vervult.

Louis Frank, een maatschappelijk geëngageerd liberaal advocaat, lobbyde reeds in 1910 met zijn boek La paix et le district féderal du monde voor Brussel als zetel van de supranationale instellingen. Vandaag voeren tal van steden internationaal met elkaar strijd om het aantrekken van internationale instellingen. Dat gebeurt overigens opmerkelijk vaak door culturele grenssteden zoals Genève, Straatsburg, Luxemburg en Montréal. De strategische ligging op de grens van twee culturen vormt hierbij een uit te spelen troef.

Het plan van Agoria sluit niet enkel aan op deze trend tot specialisatie van een stad en regio, het maakt zelf deel uit van die specialisatie: het plan zelf moet bijdragen tot de 'hype'. Het maakt deel uit van het besef dat er een potentiële economische ICT-cluster in en om Brussel bestaat.

De troeven van Brussel als ICT-centrum

Brussel is goed voor 30 % van de Belgische ICT-tewerkstelling, met inbegrip van de tewerkstelling in de multimediasector, die meer en meer convergeert met IT stricto sensu. Dit betekent 13 % van de Brusselse tewerkstelling en 10 % in Halle-Vilvoorde. De regio Brussel-Vlaams-Brabant bekleedt daarmee de vijfde plaats in Europa. We weten dat Brussel met 10 % van de bevolking goed is voor 19 % van het bruto binnenlands product. Op het vlak van ICT is Brussel goed voor meer dan 35 % van de totale 'Belgische toegevoegde ICTwaarde'.

Ondanks de crisis in de ICT-sector omstreeks 2001 is de groei in werkgelegenheid in deze sector aanzienlijk hoger (25 % groei tussen 1995 en 2004) dan de groei in de privétewerkstelling in het algemeen en de totale tewerkstelling in Brussel.

Al deze cijfers moeten duidelijk maken dat Brussel op het punt staat aansluiting te krijgen bij ICT-centra zoals Dublin (Ierland), Oulu (Finland), Stockholm (Zweden) of Sofia Antipolis (Frankrijk). Met een ICT-sector die in 2004 8,5 % van de privétewerkstelling vertegenwoordigde, komt Brussel geleidelijk dichter bij de drempel van 10 % waar voornoemde centra allemaal bovenuit komen. Op basis van de criteria die de Europese commissie hanteert, is er sprake van een ICT-cluster die qua omvang Dublin benadert. Die criteria zijn: de aanwezigheid van 'visionaire personen', industrieel beleid, enkele grote multinationals, veel kleine ondernemingen (niet noodzakelijk bedrijvig in de ICT), R&D-capaciteit, buitenlandse investeringen, incubatoren en risicokapitaal, waardevolle medewerkers en ondernemingszin, klimaat, tijd, levensstijl, cultuur en mentaliteit.

Alle ingrediënten voor de verdere groei van deze sector zijn aanwezig, inclusief de mogelijkheden tot wisselwerking met andere sectoren (multimediasector, overheidsector, gezondheidsector), waar IT nieuwe toepassingsmogelijkheden voor kan en moet ontwikkelen.

Brussel is bovendien centraal gelegen en vormt een belangrijk beslissingscentrum. De regio, eerder dan de stad zelf, telt een hoogopgeleide bevolking met een uitstekende talenkennis. Er zijn universiteiten, hogescholen, onderzoekscentra en er is plaats voor uitbreiding.
 
Het Iris(h)plan stelt dat, op basis van deze troeven en met behulp van vergelijkbare investeringen in de kenniseconomie als deze die Ierland toepaste (namelijk 80 miljoen euro per jaar), ook Brussel in 10 jaar tijd op het vlak van ICT goed kan zijn voor 2 % (of één miljard euro) extra groei en 1,5 % extra werkgelegenheid. Dit komt neer op ongeveer 10000 jobs.  Deze investeringen moeten onder meer dienen om het internetgebruik bij particulieren te stimuleren en om meer informaticatoepassingen te bevorderen, zowel bij de overheid als in de privésector. Zo moeten de overheden werk maken van e-government. Bovendien moet de export (vandaag de zwakke schakel in het Brusselse ICT-verhaal) van IT-toepassingen ondersteund worden, bijvoorbeeld via de handelsattachés. Tot slot moeten de investeringen ook onderzoek en opleiding stimuleren. Op tal van deze vlakken is de aanzet in het huidige beleid al aanwezig, stelt de nota. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voert op deze vlakken al een beleid, maar wellicht onvoldoende in omvang om direct effect te ressorteren.

Investeren in openheid en stedelijkheid

Als lobbydossier van een sectorfederatie bestemd voor de plaatselijke overheid mag het Iris(h)plan er zeker zijn. Het getuigt van betrokkenheid van de sector bij nieuwe dynamieken.

Maar of de chemie zal pakken hangt af van nog veel meer, vaak ook minder formele, factoren. Het volstaat niet om honderd geleerden in een R&D-park rond een thema samen te brengen om een doorbraak te forceren. In een dergelijk geval is honderd maal één inderdaad honderd. Meer succes heb je in een omgeving waar honderd maal één duizend is.

Het Ierse voorbeeld is in deze sprekend. Het succes is ongetwijfeld mee gestuurd door de juiste investeringen en meer nog door de ongeziene fiscale voordelen voor investeerders, de lage loonkosten en de soepele arbeidswetgeving in het land. Maar het is minder duidelijk in welke mate het Ierse succes bijvoorbeeld ook te danken is aan een gedaanteverandering van Dublin en de omliggende regio en van een mentaliteitsverandering van de gehele Ierse samenleving. Dublin ontpopte zich in één decennium tot een aantrekkelijke cultuurstad en trekpleister, tot een place to be in Europa.

Vijftien jaar terug kwam het land in het nieuws met de steun van de bevolking aan het IRA, met de massale exodus van de jeugd naar de vier werelddelen, op zoek naar een beter leven, en met het verbod om zwangere tienermeisjes de ferry naar Groot-Brittannië te laten nemen om er een abortus te ondergaan. Ierland stond in de eerste plaats synoniem voor een arme, gesloten, conservatieve, traditioneel katholieke samenleving.

Vandaag komt Dublin in het nieuws als een van de meest hippe en vooruitstrevende Europese steden. Je gaat vandaag niet enkel naar Ierland voor de Keltische folklore, maar ook voor een moderne citytrip.

Ierland is van een emigratie- een immigratieland geworden, waar zelfs de Ieren uit de diaspora naar terugkomen. Dublin wordt met enige vertraging een multiculturele stad. Je kunt je natuurlijk de vraag stellen wat de oorzaak is en wat het gevolg, maar in ieder geval gingen de nieuwe openheid en het economisch succes in Ierland hand in hand.

Een meer 'politiek Irisplan', naar het voorbeeld van het Irishplan, of het nu is voor de uitbouw van Brussel als digitale hoofdstad van Europa – de zogenaamde digitale Zennevallei – of voor andere mogelijke specialisaties waarrond deze stad zich wil profileren, zal dan ook van meer ambitie moeten getuigen. Naast de juiste gerichte investeringen, de gunstige fiscale maatregelen en een soepeler wetgeving, moet er ook geïnvesteerd worden in minder formele aspecten, wil de chemie pakken. Ook elementen als de aantrekkelijkheid van het stedelijke leven in Brussel en de openheid ten aanzien van nieuwkomers in de stad zijn bijvoorbeeld belangrijk, net zoals het hiervoor in de grotere omliggende regio van Brussel aanwezige draagvlak.

terug naar startpagina