Brussel op: www.basiliades.be

‘Stedelijkheid als sleutel tot regionaal succes
Johan Basiliades

Uit: Patrick Stouthuysen en Johan Basiliades (red), Stadslucht Maakt Vrij, Sven Gatz, Christian Leysen, Sas van Rouveroij , VUBPRESS, 2005

De sleutel tot economisch succes is innovatie.  Innovatie vergt creativiteit.  De vraag is verdacht eenvoudig: kan je creativiteit organiseren? Deze vraag spookt door het hoofd van vele beleidsmakers. Stedelijke politici hopen in het antwoord op deze vraag steun te vinden voor een stadsvriendelijker beleid, tegen de trend van een soort “anti-stedelijke mentaliteit” en de trend naar suburbanisatie in. Liberale politici hopen uit het antwoord argumenten te putten die ondernemingszin, meritocratie, talent en durf herontdekken als motor van economische groei.

Vlaamse politici zien hoe steden her en der de laatste decennia een impuls hebben gegeven aan een regionale economie: Rijsel en Nord-Pas-de-Calais, Glasgow en Schotland, Bilbao en Baskenland, Barcelona en Catalonië, Dublin voor Ierland, Montréal voor Québec ...  Typerend is dat de stad telkens bekender is dan de regio of althans bekender staat voor vernieuwing dan de omliggende regio.  Maar het is wel degelijk de hele regio die de vruchten van de economische impuls plukt.

Een Vlaams liberaal stadspoliticus heeft plots bijzonder veel redenen om het geheim achter “kan je creativiteit organiseren?” te ontcijferen.

Als het een troost voor hen kan zijn, er is hierover nagedacht.  In dit essay overlopen we drie theorieën over het organiseren van creativiteit: Gunnar Törnqvist en Creativity and the Renewal of Regional Life; Peter Hall en The Union of Art, Technology and Organisation; Richard Florida en The Rise of the Creative Class.

1. Structurele instabiliteit als recept (1)

In een essay uit 1983 reikt de Zweedse auteur Gunnar Törnqvist reeds de meeste ingrediënten aan voor een succesvolle creatieve omgeving.  Hij is van mening dat er in tal van studies voldoende aandacht is besteed aan voorbeelden van individuele creativiteit van uitzonderlijke mensen in de loop van de geschiedenis. Er is ook regelmatig aandacht voor de impact van heersende ideologieën, de invloed van structuren en instellingen en het belang van infrastructuur en communicatie in het ontstaan van creatieve processen. Maar wat volgens Törnqvist ontbreekt, is de focus op het creatieve milieu: op de omgeving, de hele regio in al haar facetten, de arena waar het creatieve proces plaatsvindt. Of de creativiteit in een regio van technische aard is, zich op het vlak van organisatie en management ontwikkelt, in de wetenschap, de filosofie de mode, life-style of kunst, of in een combinatie van deze domeinen, Törnqvist wil achterhalen welke gemeenschappelijke kenmerken deze regio’s hebben.  En welke kenmerken zijn doorslaggevend voor creatief succes?

Törnqvist vertrekt vanuit een definitie van creativiteit. “Creativiteit veronderstelt talent om informatie te selecteren en kennis en deeltjes informatie met elkaar te verbinden op zulke wijze dat er iets nieuws wordt gecreëerd”. Dergelijke creatieve processen zijn overal mogelijk.  Talent, kennis en informatie zijn mobiel.  Talentvolle mensen worden aangetrokken door plaatsen waar talent bloeit en zijn dus in het bijzonder mobiel.  Eén creatief proces, één uitvinding op één plaats betekent nog niet dat we over een creatief milieu kunnen spreken.  Zelfs meerdere dergelijke processen of vernieuwingen op één plaats volstaan daartoe nog niet.  Wat nodig is, stelt Törnqvist, is een ontmoetingsplaats met een zeer intensieve en rechtstreekse communicatie tussen talentvolle mensen over verschillende disciplines heen.  We spreken van een creatief milieu wanneer er synergieën ontstaan tussen verschillende creatieve processen op één en dezelfde plaats waardoor de voortgebrachte creativiteit groter is dan de optelsom van de afzonderlijke creatieve processen samen.  Het is de synergie op die ene ontmoetingsplaats die een extra dimensie geeft aan een echt creatief milieu.

Die synergie hoeft zich niet in een stedelijke omgeving af te spelen. Het is de kwaliteit eerder dan de kwantiteit van creatieve processen dat belangrijk is bij het ontstaan van een creatief milieu.  Maar het spreekt voor zich dat in een stedelijke omgeving de kans op potentiële kruisbestuiving van verschillende vormen van kennis, informatie en rechtstreeks contact tussen talentvolle mensen uit verschillende domeinen aanzienlijk toeneemt volgens Törnqvist.  Als voorbeeld haalt hij Wenen ten tijde van Witgenstein aan: in alle mogelijke opzichten en in alle disciplines blonk Wenen uit in vernieuwing.  Het was een omgeving waar door o.a. een sterke café-cultuur vernieuwers uit wetenschappen en kunst elkaar rechtstreeks en informeel ontmoetten.  Die omgeving was de katalysator voor synergieën over verschillende domeinen heen.

Törqvist stelt vast uit de verschillende voorbeelden die hij bestudeerd heeft, dat het creatief milieu, waar deze synergieën plaatsvinden gekenmerkt wordt door diversiteit en afwisseling, dat het een chaotische omgeving is, onstabiel en onveilig, ongepland met een gebalkaniseerd cultuurleven.  Hij spreekt van een structurele instabiliteit.  Samengevat de kenmerken zijn alles wat je beleidsmatig moeilijk of niet kan plannen. 

Artificiële onderzoeksparken zullen daarom zelden of nooit het beoogde effect halen op het gebied van vernieuwing.  Het effect van dergelijke geplande artificiële omgevingen is gelijk aan de som van de afzonderlijke creatieve bijdragen.  Er is geen meerwaarde ten gevolge van de omgeving.  Een ongeplande omgeving daarentegen waar dat spontaan groeit tref je vaak aan in oude industriële en verloederde stadswijken die door een nieuwe dynamiek op korte termijn gaan herleven stelt Törnqvist.

Gunnar Törnqvist laat weinig hoop voor de politicus en de planner.  Toch is er een marge voor een verlicht regionaal beleid dat op het juiste moment de sterktes, maar ook de beperkingen van het bestaande beleid kan inschatten.  Wat hij bedoeld is dat het beleid die fase van structurele instabiliteit moet herkennen.  Vergelijk het met een rivier.  Eerst stroomt ze heel snel door een vaste bedding.  In deze fase is de koers van de rivier voorspelbaar.  Er is weinig creativiteit en er wordt efficiënt verder gebouwd op de vroeger verworven kennis.  Maar op een gegeven moment bereikt de rivier een groot plateau.  De stroom vertraagd en de rivier gaat meanderen op zoek naar een weg.  De rivier gaat splitsen en weer samenkomen of aftakkingen gaan doodlopen in moerassige vlakten.  Maar een deel van de rivier zal weer haar weg vinden in een strakke en vaste bedding naar een lagerliggend dal.  Qua creativiteit is de fase van het meanderen het interessantst. Je kunt het vergelijken met de bekende theorie van Kuhn over de overgang van een oud paradigma naar een nieuw paradigma in de wetenschappen. (2)   A posteriori weet je wel wat de goede koers was, wat het juiste paradigma is, maar op het moment zelf zijn alle pistes waardevol omdat de creatieve impuls uitgaat van het afschudden van oude modellen en het zoeken naar nieuwe.

Een beleid dat deze fase van instabiliteit weet te detecteren en zelfs voorspellen in de ontwikkeling van een regio kan daar met een lange termijn visie op inspelen.  Maar dat beleid moet lef hebben.  Het moet beseffen dat creativiteit hier botst met het intuitieve streven naar evenwicht, veiligheid en productiviteit van ieder regionaal beleid.  Het beleid zou in de fase van stagnatie van de regionale economie en ontwikkeling met andere woorden de chaos moet ondersteunen.

De uiteenzetting van Törnqvist spreekt in theorie aan omdat ze herkenbaar is in historische voorbeelden.  Ze bevestigt ook de rol van steden en stedelijkheid (de nood aan rechtstreeks en intense communicatie op één plaats) in regionale vernieuwing.  De analyse gaat ook uit van de nood aan een creatieve omgeving waar talent kansen krijgt.  Toch laat Törnqvist ons om evidente redenen op onze honger.  Je kan het niet plannen.

2. De techno-boho’s en urban quality of life

Peter Hall is in zijn benadering een stuk optimistischer en voluntaristischer t.a.v. de mogelijkheden voor een stad om een creatief milieu vorm te geven.  Peter Hall zette zijn visie neer in Cities en Civilisation.  Culture, Innovation and Urban Order, een monumentaal historisch overzicht in duizend compact geschreven bladzijde eruditie, over de verschillende vormen van creativiteit in grote steden. (3)   Sir Peter Hall deed de oefening nog eens over in amper drie bladzijden in een heldere bijdrage met dezelfde titel in Plan Canada.(4)

Hall heeft het recept voor de cocktail “creatief succes in de XXIe eeuw” ontdekt.  De laatste decennia van de XXe eeuw is het besef gegroeid dat cultuur en ontspanning een bijzondere economische groeipool zijn.  Steden zijn hier gaan op inspelen omdat de cultuur-business de leegte kan opvullen die sluitingen van industriële bedrijven in de centra van de steden hebben achtergelaten. 

Keynes voorspelde dat in de XXe eeuw samenlevingen nog amper bezig zullen zijn met het voorzien in de basis behoeften en dat mensen bevrijd van de overlevingseconomie manieren zullen moeten zoeken om hun vrije tijd in te vullen.  Wat Keynes niet had voorspeld is dat die vrije tijd invullen zelf één van de belangrijkste economische activiteiten is geworden in het Westen.  Cultuur-industrie was een onbekend begrip bij het begin van de XXe eeuw, door kruisbestuiving van culturele creativiteit en technische vernieuwingen is het uitgegroeid tot de vernieuwing van de XXe eeuw.

Wie investeert in de cultuur-industrie scoort een punt, maar vat volgens Hall nog niet het hele verhaal over creativiteit en innovatie in de XXIe eeuw.

In Cities in Civilisation toont Hall aan de hand van grote voorbeelden uit de geschiedenis hoe er zeer verschillende vormen van uitzonderlijke creativiteit bestaan.  Hij onderscheidt vier vormen: a) de steden die uitblonken in cultuur en door hun intellectueel leven (zoals Firenze in de quattrocento); b) steden die letterlijk boomden na een succesvolle toepassing van een nieuwe technologie (de spinmachine in Manchester, de stoomboot in Glasgow, de auto in Detroit of de PC in Sillicon Valley-San Francisco). d) De derde vorm is eigenlijk diegene waaruit de verschillende vormen van cultuur-industrie zijn voortgekomen en is dus minder nieuw dan we vermoeden. Het is een combinatie van de eerste twee vormen van creativiteit.  Hall omschrijft het als het huwelijk tussen het culturele en het technologische (het voorbeeld hier is Hollywood en de filmindustrie vanaf begin van de XXe eeuw, waar jonge ondernemers vanuit een nieuwe techniek de massacultuur uitvonden; Memphis en de rock ’n roll is een ander voorbeeld). d) De vierde vorm tenslotte is dat soort creativiteit dat steden door de eeuwen hebben voortgebracht om via techniek en organisatie het stedelijk leven zelf aan te passen aan nieuwe noden (watervoorziening in het oude Rome bijvoorbeeld, of hoe New York met succes en Los Angeles op een bedenkelijkere wijze de automobiliteit en de stad integreerden).

Hall bouwt zijn analyse sterk op de ideeën over economische cycli à la Kondratieff en Schumpeter. In deze cycli volgen perioden van innovatie en perioden van groei elkaar op.  Hij is er sterk van overtuigd dat de volgende opstoot van creativiteit en innovatie, die een nieuwe lange termijn cyclus van economische groei zal voortbrengen uit de nieuwe informatietechnieken zal voortkomen, zeg maar het Wereld Wijde Web of internet.  Het is een beetje een dooddoener als voorspelling vandaag, maar daarom niet minder accuraat. Deze periode is volgens Hall nu al bezig.  De creativiteit die het zal voortbrengen zal een samenspel zijn tussen artistieke, technische én organisatorische creativiteit. Dit laatste element, het organisatorische is in combinatie met de twee eerste nieuw voor de XXIe eeuw.

Even de redenering volledig uitwerken:  wat we nu zien in de nieuwe informatiemaatschappij is inderdaad de opgang van de “techno-boho’s”, een generatie vernieuwers die technische vaardigheden verzoenen met het artistieke of het “bohémien” profiel van de kunstenaar.  We mogen spreken van de versmelting van twee totaal verschillende profielen van mensen, de versmelting van vaardigheden waarvan we dachten dat ze tegenpolen waren in het menselijke brein. 

Voor deze nieuwe cyclus is niet zozeer de nieuwe techniek van belang (het internet) maar, zoals dat steeds gaat, de vernieuwende toepassingen ervan.  Vergelijk het met de auto.  Niet de uitvinding van de auto of de brandstofmotor heeft het tijdperk van de automobiliteit en alles wat daarmee gepaard ging ingeluid, maar wel de ontdekking van de massaproductie van auto’s door Henry Ford.  

Halls voorspelling dat het internet en bijhorende technologieën, nieuwe vormen van bekabeling en nog snellere verbindingen, de nieuwe innovatie is aan de vooravond van een nieuwe economische groeiperiode is dan misschien een dooddoener, wat niet voorspelbaar is vandaag is tot welke applicaties dit zal leiden, en met welke impact op de samenleving van de XXI-eeuw.  Ook Hall weet het niet.

Maar Hall is er wel van overtuigd dat hij weet waar het zich zal afspelen: in de steden!  Al meer dan 150-jaar merken we dat iedere nieuwe vorm van telecommunicatie niet heeft geleid tot minder rechtstreeks intermenselijk contact en overleg, zoals we spontaan zouden kunnen vermoeden.  Het heeft ook niet bijgedragen tot een uitzaaien van de bevolking over landelijke gebieden, in tegenstelling tot de verspreiding van de auto’s.  Integendeel, hoe meer telecommunicatie hoe meer face tot face contact er op moet volgen.  Wie de death of distance heeft voorspeld naar aanleiding van het ontstaan van de telegraaf, telefoon, telefax of e-mail, zat er tot op heden keer op keer naast.  Bovendien neigen de nieuwe sectoren er meer en meer naar te clusteren in steden waar zoals in het verhaal van Törnqvist er sterke wisselwerking is tussen kennis, informatie en talent uit verschillende domeinen op formele wijze (omdat steden financiële, culturele en economische … structuren en partners onderbrengen), maar vooral op informele wijze (in cafés, festivals, vrijetijdsactiviteiten …) .  De creativiteit en innovatie die steden aan de dag leggen om naast goede luchthavens, snelle treinverbindingen, hippe conferentieruimtes ook en vooral te voorzien in een kwaliteitsvol stedelijk leven, zal doorslaggevend blijken voor hun succes. Dit is de derde component van het creatieve proces: het organisatorische. De aanwending van nieuwe ideeën en technieken in de organisatie van wonen, werken, ontspannen, leven in een grootstedelijke context zijn essentieel voor de aantrekkingskracht van steden die hun roeping als cluster van kennis en talent willen waarmaken. Net als steden in het verleden creatief moesten zijn om problemen van bevoorrading, mobiliteit, riolering en hygiëne … aan te pakken, moeten ze nu creatief zijn in het organiseren van een kwaliteitsvol stedelijk leven.

Hall’s verhaal over de Union of Art, Technology and Organisation oogt heel wat optimistischer dan Törnqvist chaostheorie over creativiteit.  Hall concludeert trouwens: “Creativiteit is niet langer een toevallig mirakel dat zich occasioneel in een bevoorrechte stad voltrekt.  In de globale economie, waar geen enkele stad op zijn lauweren kan rusten, is het de hoofdtaak van het beleid er naar te streven een succesvolle stad te zijn”. Met zijn pleidooi voor een kwaliteitsvol stedelijk leven legt Hall een nieuw accent voor beleidsmakers.

3. De creatieve klasse, tolerantie en de concurrentie tussen steden

Dit brengt ons bij Richard Florida en zijn bestseller The Rise of the Creative Class.(5)   Sinds het verschijnen van het boek in 2002 is er een heuse hype ontstaan rond de figuur Richard Florida en zijn theorie over creativiteit. Op zijn website www.creativeclass.org worden er rangschikkingen gemaakt van de creatiefste steden net als hitparades.  Florida zelf reist de hele wereld af en treed op als een rockster voor volle zalen ondernemers en beleidsmensen die er minstens 150 euro voor over hebben voor een zitje.  Hij adviseert politici in “hoe een stad aantrekkelijk maken voor de creatieve klasse”.  Een legertje medewerkers schrijft papers over de plaats van Amerikaanse en Europese steden op de creativiteitsindex.   En er is een tROCC-song door de Amerikaanse rapper Mo’Genius:

(…)The book is full of pages of clear common sense
But common sense ain't common so let me commence
It's not a crystal ball, but it acts like one
When you read between the lines it's bright like the sun
Who is this man named Richard Florida?
I feel like I should have known, excuse me, oops, da
Here's the bottom line as clear as can be
He gives us all a picture of the new economy

The Rise of the Creative Class
Thirty-Eight Million and growing fast
Building community and having a blast
When it comes to getting money, rollin’ in cash

Richard Florida is dus hip.

Ook volgens Florida, net als bij Peter Hall, voltrekt er zich op de drempel van de eeuwwisseling een economische omwenteling.  Bij Richard Florida heet het niet een nieuwe innovatie te zijn die een nieuwe economische cyclus inluidt, maar wel een omwenteling vergelijkbaar met de industriële revolutie naar impact op onze manier van leven en werken.  

De drempel van de XXI e eeuw is volgens Florida de overgang naar de creatieve economie.  Creativiteit en innovatie zijn altijd al de motor van economische vernieuwing geweest, maar nu zijn ze niet enkel meer een impuls.  De economie is creatief geworden.  Nieuwe ideeën zijn de economische goederen die geproduceerd en verhandeld worden.  Creatief werk is mainstream geworden.  Brede lagen van de bevolking verdienen nu hun boterham met creatief werk.  En bovenop heeft Marx nog gelijk gekregen ook: de nieuwe klasse werknemers heeft de controle over de productiemiddelen verworven: de creatieve werknemers zijn het productiemiddel.  

Bij de industriële revolutie waren niet de nieuwe machines doorslaggevend voor het nieuwe tijdperk dat het inluidde, maar de nieuwe arbeidsverhoudingen en de opkomst van de burgerij en de loontrekkende arbeidersklasse.  Zo ook is het voornaamste kenmerk van de nieuwe creatieve economie niet de nieuwe technologie die de omwenteling mogelijk maakt, maar de opkomst van een nieuwe sociale klasse: de creatieve klasse.  Zij is voor het creatieve tijdperk wat de aristocratie was voor het ancien régime en de burgerij voor het industriële tijdperk.   Ze zijn ook steeds met meer die dagelijks creatief werk verrichten als beroep en het is dus geen beperkte elite.  Mediamensen, artiesten, muzikanten, professionals uit de entertainmentindustrie, onderwijzers en professoren, journalisten, wetenschappers, architecten, ingenieurs en uiteraard alle nieuw beroepen uit de ICT-sector, van programmeurs tot vormgevers enz …  Samen zijn ze goed voor 11% van de totale actieve beroepsbevolking in de VS en vormen ze enkel de harde kern van de creatieve klasse.  Daarnaast mag je er nog eens de managers, high-end verkopers, zakenmensen en bankiers, juristen, dokters, bepaalde technici enz. … bij tellen om tot 30% van de Amerikaanse beroepsbevolking te komen waar creativiteit centraal staat in de job.  Bovendien wordt er ook steeds meer creativiteit verwacht en opgemerkt in niet-typisch creatieve jobs.  30% is nu al meer dan de totale arbeidersklasse in de VS en het aantal zal nog groeien. Als je de hedendaagse samenleving vergelijkt met de jaren ’50 is de impact van die omwenteling veel groter dan we vermoeden.  Een man die van 1950 gekatapulteerd word in één dag naar het jaar 2000 zou een veel grotere cultuurschok oplopen dan een man die van 1900 naar 1950 verhuist, al is objectief de kloof in technische kennis wellicht groter in het tweede voorbeeld.  De manier van leven en denken is veel ingrijpender veranderd in het eerste voorbeeld.

In de Rise of the Creative Class beschrijft Florida de opkomst van deze klasse, hoe ze leeft, hoe ze werkt, zich ontspant, maar ook haar ethiek en waarden en haar life-style. Maar hij doet meer in zijn boek.  Niet alle landen of regio’s zitten met evenveel succes in de lift van de creatieve economie.  Bij sommigen gaat de overgang vlotter.  Op sommige plaatsen boomt de creatieve economie, elders stagneert het wat.  Wie kan voorspellen waar en waarom ze boomt heeft een streepje voor.  En volgens velen – niet in het minst Florida zelf – kan Richard Florida dat aan de hand van zijn creativiteitsindex.

Richard Florida stelt, net als Törnqvist en Hall vast dat creativiteit clustert in steden.  Om dezelfde redenen als Törnqvist en Hall trouwens.  Maar ze doet dat niet in alle steden: enkel in steden die de creatieve klasse weten aan te trekken en stimuleren.  Als socioloog is Florida tal van tabellen boven elkaar gaan plaatsen en heeft hij uit al dat statistisch materiaal wat men algemeen onder sociologen een significante correlatie noemt, vastgesteld tussen steden met een hoog percentage creatieve werkers, hoog percentage artiesten, hoog percentage homo’s, hoog percentage immigranten, hoog percentage innovatie (aan de hand van neergelegde patenten), hoog percentage ICT-bedrijven en hoog percentage tewerkstelling in het stedelijk centrum.  Al deze parameters samen vormen volgens Florida de creativiteitsindex.  Al deze statistieken verwijzen naar de graad van tolerantie van een stad, de aanwezigheid van talent en de voorhanden technische knowhow.  Wat Florida dan ook de drie T’s noemt die als voorwaarde dienen voor succesvolle steden in de creatieve economie.

Wat die steden te bieden hebben zijn creatieve mensen.  Een de creatieve economie is permanent op zoek naar hoge concentraties van creatieve mensen.  Deze steden bieden een gunstig people climate i.p.v. een gunstig business-climate.  Meer en meer bedrijven zijn dat gaan inzien.  Creatieve mensen gaan eerst en vooral wonen daar waar ze graag wonen en waar ze zich kunnen ontplooien en niet daar waar de grote bedrijven gevestigd zijn en de R&D parken worden neergezet.  Sommige bedrijven verplaatsen hun zetel nu al naar hype steden om op die trend in te spelen en uit noodzaak omdat ze het nodige talent er gemakkelijker vinden. 

Dus om bedrijven te lokken naar een stad en omliggende regio is het voor het beleid in de context van de creatieve economie voordeliger om te investeren in de bevrijdende stadslucht: aangenaam wonen voor relatief welgestelde mensen, aantrekkelijke muziekscène, goed en origineel uitgaansleven, positieve uitstraling van de stad, tolerant imago naar diversiteit,  homo’s en immigranten, plaats voor experiment en excentriciteit, … Het is voordeliger dan te investeren, zoals in het verleden in vestingingssubsidies en faciliteiten, bedrijfsterreinen voor grote bedrijven, R&D-parken, grootschalige infrastructuur en prestige projecten …

De toekomst is dus aan de open en tolerante steden waar de creatieve klasse in hoge concentratie graag wil wonen.  Een klassiek voorbeeld uit het boek waarin Florida is hoe hij aantoont dat een grote homogemeenschap en een actief gay-leven betere en betrouwbaardere voorspellers zijn van economische groei in een regio dan de klassieke voorspellers op basis van investeringen.  Niet dat homo’s creatiever of ondernemender zijn dan gemiddeld.  Maar een sterke homo gemeenschap staat symbool voor de openheid van die stad naar diversiteit en excentriciteit.  Talentvolle mensen zoeken een dergelijke omgeving veelal op en zorgen er voor groei.

Het verhaal dat Richard Florida wereldwijd op conferenties uiteenzet is een bij uitstek optimistisch verhaal.  Het gaat uit van een sterke concurrentie tussen steden in het aantrekkelijk zijn in de creatieve economie.  Maar het is ook een concurrentie verhaal waarin het beleid volgens Florida een impact heeft op het resultaat.  En dat is wat politici willen horen.

4. Uitdagingen voor het beleid (6)

Deze verhalen over creativiteit en de mate waarin het te organiseren valt bevestigen de drie uitgangspunten die in de inleiding van dit essay werden aangebracht.

1.Steden zijn net als in het verleden de motor van economische groei.  Wellicht is er in de XIXDe eeuw en een groot deel van de XXe eeuw meer nadruk gelegd op nationale economieën, maar met de globaliserende economie en de grotere natiestaten-overschrijdende economische zones is de nadruk de laatste decennia spontaan terug verschoven naar de regio’s en de centra ervan: hun grootsteden.  Het sluit aan op de regionale dynamieken in het beleid.  Het verklaart het succes van steden als Barcelona, Montréal, Bilbao, Rijsel  …

2. Een ander element uit de voorbeelden is dat het ontwikkelen van talent en het belonen ervan economisch rendeert. Dit is in combinatie met Florida’s pleidooi voor tolerantie een uitermate liberale gedachte. “Zonder een vrije ideeënmarkt” stelde Mill “geen ruimte voor spontaneïteit, originaliteit, genie, geestkracht en morele moed”.  Die samenlevingen die die openheid niet hebben zullen volgens Mill bezwijken onder de last van de collectieve middelmatigheid.  Het creativiteitsverhaal is een verhaal dat zowel in een klassiek economisch perspectief als maatschappelijk aansluit bij liberale opvattingen over de mens en de samenleving.

3. Tot slot zijn de drie verhalen onvoorwaardelijke pleidooien voor stedelijk leven, stedelijk denken: voor de nood aan een stedelijke mentaliteit en een stedelijk beleid.  Vooral het investeren in een kwalitatief stedelijk leven voor een middenklasse in de steden, uitgerekend de groep die de steden de jongste decennia ontvluchte, is aantrekkelijk als boodschap. 

Toch zijn er ook kanttekeningen bij een mogelijke toepassing ervan op Vlaams niveau.  Het zijn meteen ook voor wie gelooft in dit verhaal de voornaamste uitdagingen voor een regio als Vlaanderen. 

Ten eerste, geen van de drie voorbeelden spiegelt ons voor dat een creatieve boom en het succes van een stad garant staat voor sociale welvaart voor de inwoners van die stad en regio.   Törnqvist gaat in zijn verhaal zelf zover dat hij stelt dat net als er een soort tegenstelling bestaat tussen creativiteit en productiviteit er ook een dergelijke tegenstelling is tussen investeren in vernieuwing en investeren in sociale verworvenheden.  Geschreven in 1983 door een Zweed kan dit wellicht verklaard worden door een verzorgingsstaatmoeheid bij de auteur, die trouwens veel respect opbrengt voor dat Zweeds welvaartsmodel.  Hall en Florida zijn ook hier constructiever dan Törnqvist: de sociale dimensie van het verhaal volgt inderdaad niet spontaan uit het creatief succes.  Zelfs de tolerantie bij de creatieve klasse staat niet spontaan garant voor integratie van allochtonen en minderheidsgroepen in het economisch leven volgens Florida.   Die tolerantie is toch vooral een symbool. Hall en Florida lijken er beiden een eerder sociale en progressieve visie op na te houden op dit vlak: progressief omdat volgens beiden de dynamiek niet mag geremd worden omwille van nadelige sociale effecten.  In de XIXe eeuw moest je ook niet tegen de machines en de vooruitgang omwille van de sociale gevolgen voor de arbeiders, maar je moest er sociale maatregelen aan koppelen. Sociaal dus ook omdat beiden heel veel ruimte laten voor overheidsinmenging om in te spelen op de sociale effecten door integratiemaatregelen, onderwijs … .

Ten tweede, op het vlak van een tolerant imago zit Vlaanderen bij uitstek met een probleem.  In een Europees perspectief haalt Vlaanderen het BBC-journaal met een score van meer dan 30% bij verkiezingen voor een extreem-rechtse anti-migranten partij in één van haar voornaamste steden en met een minister die SS-feestjes bijwoont.  Tolerantie is bovendien een sterk symbolisch geladen concept. Als voorbeeld kunnen we de hele discussie over het stemrecht voor allochtonen nemen. Of het toekennen van dit stemrecht nu intrinsiek al dan niet een uiting van tolerantie is en of het nu echt integratiebevorderend is, is in de ogen van velen de symbooldiscussie geworden tussen wie positief staat t.a.v. culturele diversiteit en diegenen die het er moeilijk mee hebben.  In die symbooldiscussie stonden uitgerekend de Vlaamse liberalen, vanuit het perspectief van Florida’s creativiteitsverhaal, aan de verkeerde kant. Hetzelfde gebeurt met sommige liberalen en vooral de socialisten die zich hardnekkig vastklampen aan de immigratiestop. Die immigratiestop die ooit om economische redenen werd ingeroepen is uitgegroeid tot het symbool van Fort Europa en de argwaan tegen het vreemde.  Afstappen van dat symbool betekent niet pleiten voor open grenzen, maar laat wel ruimte voor een doordacht immigratiebeleid in Vlaanderen en laat Vlaanderen toe zich als open regio te profileren.   

Een andere, derde, uitdaging waar Vlaanderen, net als Catalonië, Baskenland, Québec … voor staat is het juiste venwicht vinden tussen de openheid en interne mobiliteit van creatieve mensen over cultuurgrenzen heen en de zorg voor de eigen identiteit.  Het verhaal van Richard Florida is inderdaad een concurrentie verhaal tussen steden in het aantrekken van creatief talent.  Maar het is een verhaal op maat van Amerikaanse steden geschreven waar er een sterke interne mobiliteit bestaat en waar jonge mensen voor een job of een lief van de oostkust naar Austin of San Francisco trekken.  Die interne mobiliteit is in Europa nog zeer embryonaal.  Maar die zal en moet ook hier doorbreken.  Regio’s die net een lange emancipatiebeweging hebben doorgemaakt voor de erkenning van hun taal en cultuur worden hier opnieuw kwetsbaar door.  Een beleid dat die mobiliteit op zijn beloop laat, en de spontane dynamieken hun gang laat gaan, kan uitmanden in totale acculturatie van kleine groepen of in frustraties en explosieve toestanden die Europa best kan missen.  Anderzijds, regio’s die zich ter bescherming van hun taal, cultuur en eigenheid gaan terugplooien op zichzelf, missen onverbiddelijk de boot van de vernieuwing.  Een voorbeeld voor Vlaanderen kan hier een regio als Québec zijn en haar multiculturele grootstad Montréal.  Zij zijn er in geslaagd in de Noord-Amerikaanse en Engelstalige context een leidinggevende positie in de creatieve economie te verzoenen met het behoud van het Frans en de Franse cultuur.  Volgens een recente studie van Florida en medewerkers over Montréal is dit zelfs één van de voornaamste troeven van Montréal (7) .  Het recept: een beleid dat enerzijds openstaat voor immigratie, de immigratie aanmoedigt en stuurt, maar een beleid dat gelijktijdig veeleisend en assertief is naar integratie en taalgebruik.(8)  

Tot slot staat Vlaanderen in dit verhaal met nog een evident probleem.  Brussel, Antwerpen of Gent? Welke stad is de groeipool voor Vlaanderen?  Bovendien deelt Vlaanderen Brussel al met anderen als groeipool, wat niet per se een nadeel is. Dé stad van Vlaanderen dus?

De eenvoudigste mannier om die vraag te ontwijken is de stelling dat Vlaanderen als dichtbevolkt gebied één stad is. Dit is dan ook het meest voorkomend antwoord.  Dit kan een wens zijn van beleidsmakers, maar dit is in geen geval de realiteit vanuit het concept stedelijkheid die Törnqvist, Hall en Florida hebben gehanteerd.  Zij zien de stad als de plaats waar een sterke stedelijke mentaliteit is.  Het dichtbevolkte verkaveld Vlaanderen is in grote mate voortgekomen uit een anti-stedelijke suburbanisatie en deze staat haaks op die mentaliteit.  Een antwoord om het keuzeprobleem te vermijden zou kunnen zijn te streven naar een netwerk van steden, maar dan van de kernen ervan waar het eigenlijke stedelijke leven bloeit.

De uitdagingen zijn groot voor een regio als Vlaanderen.  Het zoeken naar de maakbaarheid van een creatieve en innovatieve pool schept wellicht grote verwachtingen bij liberale Vlaamse stedelijke politici, maar het is al gebleken uit de inleiding en in de loop van de uiteenzetting dat het geloven in die maakbaarheid op zichzelf essentieel is.  Het verhaal, vooral van Peter Hall en Richard Florida  zijn uitermate voluntaristisch en het willen realiseren ervan is al goed voor de helft van het effectief succes.  Peter Hall bijvoorbeeld weet dat er ook totaal andere manieren zijn om een sterke creatieve omgeving te creëren die economisch succesvol kan zijn: het Japans model bijvoorbeeld (creativiteit gestuurd en gekweekt door de overheid) of het militair-industrieel-complex die tijdens de koude oorlog vaak doorslaggevend was voor vernieuwing.  Maar dit is niet het model dat hij ziet voor de XXIe eeuw.

Johan Basiliades


(1) Gunnar TÖRNQVIST, “Creativity and the Renewal of Regional Life” in Anne Buttimer (ed.), Creativity and Context, Royal University of Lund, 1983, blz. 91-112.

(2) Thomas KUHN, The Structure of Scientific Revolutions (1962).

(3) Peter HALL, Cities in Civilisation.  Culture, Innovation and Urban Order (Weifeld&Nicolson, 1998 – Paperback editie, Phoenix, Londen, 1999, 1169 blz). Een uitgebreide boekbespreking van april 2005 door Johan Basiliades is terug te vinden op www.liberales.be.

(4) Peter HALL, Cities in Civilisation.  Culture, Innovation and Urban Order in: Plan Canada, July-August-September 2001, Vol 41 nr. 3, blz. 13-15.

(5) Richard FLORIDA, The Rise of the Creative Class. And how it’s transforming work, leisure and everyday life, Basic Books, 2002, 400 blz. Uitgebreide boekbespreking van november 2003 door Johan Basiliades op www.liberales.be
 

(6) zie hierover Johan BASILIADES, Vlaanderen in de greep van de creatieve economie, (opinietekst De Tijd 22 januari 2004) en Sven GATZ, Sas van ROUVEROIJ en Christian LEYSEN, Vlaanderen mentaal verstedelijken op www.liberales.be, november 2004.

(7) Kevin STOLARICK,Richard FLORIDA enLouis MUSANTE, Montréal’s Capacity for Creative Connectivity: Outlook & Opportunities, (Catalytix, January 2005) op www.creativeclass.org

(8) Will KYMLICKA, “De integratie van immigranten en het minderheidsnationalisme” in: Sven GATZ en Patrick STOUTHUYSEN (ed.) Een Vierde weg, links-liberalisme als traditie en als oriëntatie, (VUB-press, Brussel, 2001), blz. 323-359.

terug naar startpagina