Brussel op: www.basiliades.be

‘Over oude en nieuwe stedelijkheid
Patrick Stouthuysen & Johan Basiliades

Uit: Patrick Stouthuysen en Johan Basiliades (red), Stadslucht Maakt Vrij, Sven Gatz, Christian Leysen, Sas van Rouveroij , VUBPRESS, 2005

1. Politiek is een stedelijke uitvinding.

Politiek werd in de stad uitgevonden en traditioneel vormen steden de laboratoria van politieke vernieuwing. Dat is altijd zo geweest en dat is vandaag niet anders.

Politiek, lees je in het woordenboek, komt van het griekse “politika”, dat  “zaken betreffende de polis” betekent. Meestal vertaalt men die laatste term enigszins anachronistisch als “de stadsstaat”. Vermits staten evenwel pas bestaan vanaf de moderne politieke geschiedenis, vanaf de zestiende eeuw, ging politiek dus in oorsprong wel degelijk over de stad. En als je er over nadenkt is dat eigenlijk ook helemaal niet toevallig.

De stedelijke situatie maakt ons bewust van de onderlinge menselijke afhankelijkheid. Wat de ene doet of laat, heeft gevolgen voor wat de andere kan doen of laten. Als één buur besluit een café te openen en de hele nacht muziek te maken, dan hebben alle andere buren er last van. Althans als je, zoals in een stedelijke omgeving, vlak bij elkaar woont. Op het platteland is dat uiteraard anders. Als de huizen maar ver genoeg van elkaar staan maakt het helemaal niets uit als iemand besluit zijn boerderij tot herberg om te bouwen. Daar hoeft de hele buurt niet van wakker te liggen.

In de literatuur wordt dat fenomeen gevat onder de noemer externe effecten (Woltjer, 1997). In ons voorbeeld gaat het om negatieve externe effecten. De  stedelijke cafébaas veroorzaakt kosten, waarvoor hij geen prijs hoeft te betalen. Het feit dat hij de hele nacht open is en er altijd muziek door de luidsprekers schalt, doet zijn omzet stijgen. Het feit dat zijn naaste buren er schele hoofdpijn van krijgen, zal je op geen enkele manier in zijn boekhouding terugvinden.

Aan nogal wat samenlevingsproblemen liggen externe effecten ten grondslag: bedrijven die hun afvalwater gewoon in de rivier storten, vrachtwagens die af en aan denderen en een buurt onleefbaar maken, huisvuil dat op publieke plaatsen wordt achtergelaten. In alle gevallen gaat het om neveneffecten van de productie van goederen of diensten die niet in de prijs van die goederen of diensten worden verrekend en die dus door anderen moeten worden gedragen.

Negatieve externe effecten maken overheidsingrijpen noodzakelijk. Ze maken het nodig dat er een regeling tot stand komt die voor alle  betrokkenen geldt. De Nederlandse historisch-socioloog Abram de Swaan schreef vanuit dat oogpunt de geschiedenis van de totstandkoming van modern overheidsbeleid (De Swaan, 1989). Beleid –het proberen de samenleving in een gewenste richting te sturen- is een stedelijke uitvinding. De geschiedenis van de moderne overheid begint met het proberen onder controle te brengen van die stedelijke negatieve externe effecten. Stedelijke overheden maakten regels over veiligheid, over burenhinder, over het storten van afval, over het bestrijden van overlast.

Na verloop van tijd deed die stedelijke overheid ook wel meer. Steden ontdekten dat er ook positieve externe effecten bestonden. De aanwezigheid van geplaveide straten, van berijdbare wegen, van pleinen, van straatverlichting, van riolering, van een goed bereikbare markt, van veilige buurten, maakten een stad een aantrekkelijke plek voor wie er woonde of voor wie er zaken wou komen doen. Maar telkens ging het om dingen die er uit zichzelf niet zo gemakkelijk kwamen. Ondernemers waren niet geneigd te investeren in de productie van goederen en diensten waarvan iedereen –dus ook wie er niet voor had betaald- kon profiteren. En dus werd het een opdracht voor de stedelijke overheden.

Dat bestrijden van negatieve en bevorderen van postieve externe effecten, dat garanderen van de totstandkoming van publieke goederen, kostte natuurlijk geld. En dus moesten er belastingen worden betaald. Maar die stedelingen wensten daarvoor in ruil natuurlijk ook wel inspraak in wat er met hun geld gebeurde. Zo werd meteen ook de basis gelegd voor de moderne vertegenwoordigende politiek (Zakaria, 2003).

2. Stedelijk beleid is een liberale uitvinding.

De stad is ook de bakermat van het moderne liberalisme en die moderne liberalen lagen op hun beurt aan de basis van het hedendaagse stedelijke beleid (Stone, 1983, Kloppenberg, 1986, Freeden, 2005). Dat ging evenwel niet vanzelf. Een oudere, vroeg-negentiende eeuwse generatie liberalen geloofde rotsvast in het zelfgenererend vermogen van de samenleving. De markt bood volgens hen de beste garantie voor het oplossen van alle samenlevingsproblemen. In de stad was dat, oordeelden ze, niet anders.

Maar wat dan met de explosieve en totaal ongecontroleerde groei van de nieuwe industriesteden? Was daar dan geen nood aan sturing en overheidstussenkomst? De markt, argumenteerden de klassieke liberalen, zou ook hier wel voor een evenwicht zorgen. Als er bijvoorbeeld in de stad veel vraag was naar nieuwe fabrieksruimten, dan zouden de hogere prijzen ook leiden tot een rationeler gebruik van de gronden en tot een betere organisatie van de stedelijke ruimte. Iedereen zou uiteindelijk beter worden van de daaruit voortvloeiende grotere efficiëntie en economische groei. Hetzelfde gold voor de verpaupering en de stedelijke armoede: werkloosheid verdween wanneer de lonen daalden. Ingrijpen in het vrije spel van de maatschappelijke krachten leidde alleen maar tot verstoring van de markt.

Op een bepaalde manier klopt die redenering ook wel. Steden zijn bijvoorbeeld vaak levenskrachtiger dan je voor mogelijk houdt. Soms slagen wijken er effectief in zich op eigen kracht te regenereren. Zo heb je stadsdelen die zich, zich ondanks decennia van verwaarlozing en verloedering, plots ontpoppen tot trendy uitgaansbuurten. Net zoals er wegkwijnende winkelstraten zijn die, na jaren van leegstand, een tweede kans krijgen als aantrekkelijke woonbuurt. En iedereen heeft wel gehoord van afgeschreven stapelplaatsen en verlaten fabrieken die worden vertimmerd tot kunstenaarswoningen en hippe lofts.

Achter die succesverhalen gaan effectief economische wetmatigheden schuil. Dat zag je mooi op het Antwerpse Zuid. In de jaren 1970 boden de ooit statige, maar toen afbladderende en uitgewoonde herenhuizen onderdak aan Turkse migrantenfamilies. Later vonden ook studenten en kunstenaars er betaalbare woningen. Toen die de huizen opknapten, begon ook de buurt weer op te leven en zag je de eerste cafés en restaurants verschijnen. Wat later gingen de prijzen omhoog, toen ook de bemiddelde tweeverdieners de wijk ontdekten. Nog wat later streken de projectontwikkelaars neer die zich op de hogere segmenten van de woningmarkt richtten. En die beter gesitueerde nieuwe bewoners storen zich nu aan al die levendigheid in de wijk en hopen dat het terug de stille, residentiële wijk wordt die ze ooit is geweest.

Het Antwerpse Zuid doorliep de hele cyclus van verval tot heropbloei zonder dat er veel overheidsingrijpen aan te pas kwam. Het verhaal van de Brusselse Dansaertstraat is erg vergelijkbaar: ook daar was in eerste instantie het zelfgenererend vermogen van de buurt verantwoordelijk voor het succes. In beide gevallen was succesvolle stadsvernieuwing een zaak van individuen die correct de mogelijkheden van de buurt inschatten. En dat terwijl in andere wijken, waar de stedelijke overheid zich wel actief mee bemoeit, vaak helemaal niets lijkt te lukken. Onwillekeurig ga je dan denken dat het zonder veel stedelijk beleid ook wel gaat.

Soms leiden bestuurlijke terughoudendheid en vertrouwen op de markt tot succes, maar vaak ook niet. Voor elke Dansaertstraat die er op eigen kracht weer bovenop is geraakt, zijn er talloze zieltogende winkelstraten die meegezogen worden in een negatieve spiraal van leegstand, onveiligheid, misdaad en verpaupering. Het kan heel lang duren voor zo’n buurt zich aan de eigen haren uit het moeras weet op te trekken. Maar in tussentijd wonen daar wel mensen waarvan de leefkwaliteit wordt opgeofferd worden aan de economische wetmatigheden. Dat kan een stad zich niet veroorloven. Steden kunnen niet zonder beleid. Daar was een nieuwe generatie liberalen zich rond de vorige eeuwwisseling ook van bewust.

Voor de klassieke, negentientiende eeuwse liberalen was het  belangrijkste streefdoel het beschermen van de negatieve vrijheid: de  vrijheid om de eigen levenswijze te kiezen, zonder belemmering van anderen. Daarom stelden ze zich vooral tot taak de rol van de overheid in het economisch en maatschappelijk leven te beperken. De moderne, vroeg-twintigste eeuwse liberalen zagen dat anders. Voor hen was de positieve vrijheid net zo belangrijk: de vrijheid om daadwerkelijk keuzes te kunnen maken. De overheid kreeg nadrukkelijk een rol toebedeeld: die kwam het toe de voorwaarden te scheppen waaronder mensen zich ten volle kunnen ontplooien.

Deze nieuwe gedachte werd voor eerst in de steden in de praktijk gebracht. De moderne liberalen lagen aan de basis van verwezenlijkingen als het algemeen openbaar onderwijs, de musea, de parken, het stedelijk openbaar vervoer. Die zorg voor de stedelijke leefomgeving ging, helemaal in de liberale geest, trouwens ook gepaard met het aanwakkeren van een positieve competitie tussen steden. Steden wedijverden met elkaar om de titel van de mooiste, de meest moderne, de meest toonaangevende stad. Die competitie werd vreedzaam uitgevochten via het organiseren van wereldtentoonstellingen, internationale beurzen en grote sportevenementen. Die initiatieven vormden de motor om nieuwe stadsdelen uit de grond te stampen en tegelijk nieuwe investeringen aan te trekken. De fraaie Antwerpse Tentoonstellingswijk, die dit jaar haar vijfenzeventigste verjaardag viert, vormt nog een late uitloper van die traditie.

Hedendaagse liberalen doen er goed aan zowel de lessen van hun klassieke als moderne voorlopers ter harte nemen. Het klopt ongetwijfeld dat je niet altijd kan vertrouwen op het zelfcorrigerend vermogen van de markt. Maar je moet je ook steeds bewust zijn van het feit dat beleid voeren -ingrijpen in de maatschappelijke dynamiek- ook perverse effecten kan hebben. Overheidsbeleid leidt bijvoorbeeld nog al eens tot het  verplaatsen van problemen. Vertaald naar de stedelijke context: overlast die je in één buurt bestrijdt, verplaatst zich naar een andere.

Soms maakt beleid de kwaal alleen maar erger. Zo is de erfenis van de grote stadsvernieuwingsoperaties uit de jaren 1960, zacht gezegd, niet altijd positief. Het was de bedoeling om krotten op te ruimen, onleefbare wijken te saneren en de binnensteden te moderniseren. Maar vaak werden levendige buurten kapot gemaakt en bestaat het resultaat uit zielloze woontorens en doodse kantoorgebouwen (Jacobs, 1962, Hall, 1988, Callahan en Ikeda, 2004). De operatie is zondermeer geslaagd, jammer dat de patiënt is overleden.

Daarom kan je, net als de klassieke liberalen, ook best oog hebben voor de grenzen van de maakbaarheid. Je laat de grote utopische verwachtingen maar beter varen. Het idee dat je via het bedenken van een nieuwe leefomgeving ook nieuwe mensen kon maken – de droom van alle stadsvernieuwers, van de archtitect van de tuinsteden Ebenezer Howard tot de profeet van de hoogbouw en de zoning Le Corbusier- is in de praktijk een nachtmerrie gebleken. Stedelijk beleid kan de wereld niet redden.

Dat is ook de les die kan worden getrokken uit het Vlaamse stedelijk beleid dat in de jaren negentig werd gevoerd. Onder druk van de verkiezingssuccessen van het Vlaams Blok en van een aantal migrantenrelletjes werden de stedelijke problemen ontdekt en hoog op de politieke agenda geplaatst (Stouthuysen, Duyvendak en Van der Graaf, 2000). Er werd behoorlijk wat geld vrijgemaakt om, zoals dat toen heette “het sociaal weefsel te herstellen” en zo de onverdraagzaamheid tegen te gaan. Tien jaar later kunnen we niet spreken van een onverdeeld succes. Niet alleen werd de opgang van het Blok niet afgeremd, maar bovendien werden –ongetwijfeld als onbedoeld gevolg- wel alle stereotypen betreffende de stad bevestigd. De stedelijke omgeving werd nog maar eens vooral met problemen geassocieerd.

Tien jaar Vlaams stedelijk beleid heeft vermoedelijk nogal wat Vlamingen bevestigd in hun overtuiging dat steden bodemloze putten zijn waar onoplosbare problemen woekeren. Die associatie moet worden gebroken. Steden zijn niet armlastig en houden niet de hele tijd hun hand omhoog. Doorheen de geschiedenis vormden ze de motor van groei en verandering. “Stadslucht maakt vrij”, heette het toen (Hall, 1998). Steden vormden de natuurlijke biotoop van maatschappelijke nieuwlichters en daardoor ook van economische ontwikkeling. Bij die traditie moeten we terug aanknopen.

3. De herontdekking van een wat vergeten politieke breuklijn.

In april 2004 stelden Brusselaar Sven Gatz, Gentenaar Sas van Rouveroij en Antwerpenaar Christian Leysen onder de titel “Stadslucht maakt vrij” hun liberaal stedenmanifest voor. In eerste instantie had het manifest tot doel de stedelijke thematiek, in de brede betekenis van het woord, op de politieke agenda te plaatsen. Maar eigenlijk ging het over veel meer. De auteurs verdedigden de stelling dat hoe men tegenover stedelijkheid staat als een scheidslijn door de Vlaamse politiek loopt. En de auteurs maakten er bovendien geen geheim van aan welke kant van de scheidslijn zij zich bevonden.

De tegenstelling tussen stad en platteland vormt een oude politieke breuklijn die vandaag onder een nieuwe vorm weer opduikt. Met wat verbeelding kunnen we de breuklijn terugvoeren naar de opkomst van de steden in de late middeleeuwen en tot het adagium “Stadslucht maakt vrij” in de Vlaamse en Noord-Italiaanse steden. Die steden maakten zich los van de invloed van de abdijen en de landheren. Er vormde zich een nieuwe maatschappelijke stand, de burgerij, die vorm en inhoud gaf aan een nieuwe intellectuele, culturele, politieke en economische omgeving. In dat klimaat rijpte ook die geestesgesteldheid waaruit zich later het liberale gedachtengoed zou ontwikkelen. Maar deze vergelijking, waarbij Jacob Van Artevelde zowaar een symbool wordt van de liberale grootstedelijke verzuchtingen, gaat wellicht historisch niet op.

Stedelijkheid krijgt een politieke betekenis in de negentiende eeuw, wanneer het economisch overwicht geleidelijk van het platteland naar de stad verschuift, zonder dat dit gepaard gaat met een verschuiving van de politieke macht. De tegenstelling tussen stad en platteland, tussen de nieuwe en de gevestigde maatschappelijke krachten, was politiek nadrukkelijk aanwezig in het jonge België (Witte e.a., 1997) . Bij de debatten over de afschaffen van de tolheffingen aan de stadsmuren en over de verdeling van de middelen en de macht over stad en platteland stonden het stedelijk liberalisme en het landelijke katholicisme lijnrecht tegenover elkaar. De opkomst van het socialisme bevestigde die katholieken alleen maar in hun anti-stedelijke houding.

De houding tegenover de stad is bepalend geweest voor nogal wat politieke en culturele bewegingen van het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Zowel ter linker- als ter rechterzijde vinden we bewegingen die zich radicaal tegen de stad keren (Lees, 1985). Aan de rechterkant van het politieke spectrum spraken conservatieven en nostalgische nationalisten vol heimwee over het eertijds onbedorven boerenleven, verworteld in de bodem en doordrongen van de traditionele gebruiken. Aan de linkerkant droomden utopische socialisten van een terugkeer naar de natuur, van communes op het platteland waar nieuwe mensen zouden ontstaan, die in eenheid met elkaar en met hun omgeving een sober en arbeidzaam leven zouden leiden.

In de architectuur en het urbanisme werden praktische oplossingen gezocht om de grootstad beheersbaar te maken. Vaak klonk ook hier een anti-stedelijk geluid door. Lewis Mumford, auteur van een standaardwerk over de geschiedenis van de stad, vertolkte die ingesteldheid nog het scherpst toen hij in 1938 schreef dat in de grootstedelijke omgeving “het leven ondergeschikt wordt aan georganiseerde destructie en het daartoe elke uiting van reëel leven en cultuur beperkt en bedwingt” (geciteerd in Hall, 1998, p. 791).

Misschien meer dan elders heeft die ideologische afkeer van de stedelijkheid in Vlaanderen op de geesten van de mensen gewogen. Nog in 1985 schreef Herman Van Rompuy: “de stad is de grootse bewerker geweest van de geestelijke en ruimtelijk ontworteling, waarvan de religie één van de belangrijkste slachtoffers is geworden. Er bestaat geen stad voor de mens. De stad zal altijd de vijand van het menselijke zijn” Van Rompuy, 1985, p. 43).

Die anti-stedelijke houding vertaalde zich ook al heel vroeg in beleidstermen (Cheshire en Hay, 1989, Kesteloot, 2003). In 1869 moedigden de katholieken het systeem van goedkope spoorabonnementen voor dagarbeiders aan. Zo probeerden ze te vermijden dat die arbeiders zouden wegtrekken van het platteland en zich vestigen in de steden. Met de oprichting van de Nationale Maatschappij voor Goedkoop Wonen (1919), de wet Moyersoen (1922) en de wet De Taeye (1948) werd op grote schaal eigendomsverwerving buiten de steden aangemoedigd. Die anti-stedelijke reflex klinkt trouwens ook door in het ruimtelijke ordeningsbeleid en in de fiscale gunstmaatregelen waarvan generaties Vlamingen profiteerden om een eigen huis-met-tuin in een verkavelingswijk te verwerven. 

Met de veralgemening van het autobezit werd het lot van de stad bezegeld. Het beleid garandeerde gemakkelijke verbindingen van en naar de stedelijke werkplaats. En om de aanwezigheid in de stad tot het minimum te beperken werden heel wat voorzieningen ook naar de rand verplaatst: culturele centra, universitaire campussen, shoppingcentra en industrieparken. De stadsvlucht was begonnen.

Het gaat uiteraard niet om een typisch Vlaams of Belgisch fenomeen. De trend naar ontstedelijking en suburbanisatie vinden we in alle geïndustrialiseerde samenlevingen. Wat Vlaanderen en België wel uniek maken is dat beleidsmakers die trends altijd actief hebben ondersteund. Het gevoerde beleid is er verantwoordelijk voor dat generaties Vlamingen de stad als overbodig en te vermijden hebben ervaren. Een anti-stedelijk beleid vertaalde zich in een sterke anti-stedelijke mentaliteit. En die mentaliteit bevestigde het beleid dan weer in zijn vooroordelen…

4. De herontdekking van de stedelijkheid.

Maar er tekent zich een kentering af. Het afgelopen decennium werd de stad herontdekt. Dat gebeurde op twee verschillende manieren en in twee verschillende contexten. Het gaat ook om twee verschillende benaderingen van stedelijkheid: het ene verhaal benadrukt de stedelijke problemen, het andere de stedelijke kansen.

Het eerste verhaal heeft alles te maken met de opkomst van extreemrechts. Vrijwel onmiddellijk werd de verklaring voor de doorbraak van het Vlaams Blok gezocht in de stedelijke problemen. De stadsvlucht had het stedelijke sociale weefsel verscheurd. De sterkere en financieel draagkrachtige bewoners trokken naar de rand, alleen wie het zich financieel niet kon veroorloven bleef achter. En terwijl op die manier het gemiddelde belastbare inkomen in de steden daalde, steeg tegelijkertijd de behoefte aan sociale voorzieningen. De stedelijke bevolking verarmde. Bovendien verkleurden de steden: als steden nieuwe inwoners aantrokken, dan waren dat veelal allochtonen. Het onvrijwillige samenleven van gevestigden en nieuwkomers leidde tot spanningen en problemen. Maar aan de grondslag van het extreemrechtse stemgedrag lagen toch vooral achterstelling en kansarmoede. Door de steden nieuwe financiële ademruimte te geven, zou daar een einde aan worden gemaakt.
Dit verhaal, dat zich vooral op de stedelijke problemen concentreerde, vormde de inspiratie voor grootschalige programma’s van stedelijke sociale vernieuwing. Er werd voornamelijk geïnvesteerd in welzijnswerk, integratieprojecten, wijkwerking, buurthuizen en sociaal-culturele projecten. Dat gebeurde via mechanismen als het Vlaams Fonds voor Integratie Kansarmen, het Sociaal Impulsfonds en vandaag het Stedenfonds. Maar uiteraard, wordt er geoordeeld, moet er nog meer gebeuren: pijnpunten als de werkloosheid onder allochtonen en het beperkte aanbod van kwalitatief hoogstaande sociale huisvesting moeten nu prioritair worden aangepakt.

Het tweede verhaal heeft vooral te maken met een sociologische verandering. In buitenlandse steden en in groeiende mate ook in Vlaanderen zien we dat de stad terug aantrekkelijk wordt voor bepaalde middengroepen. Het gaat dan vaak om relatief jonge mensen, die hoog zijn opgeleid en die vaak in één of ander creatief beroep zijn tewerkgesteld. Ze kopen huizen op in het centrum van de stad en dragen op die manier bij tot de herwaardering van de wijk. Voor die sociologische trend worden woorden gebruikt als “urban renaissance” of “gentrification”. Het is een trend die je tegenkomt in films en op televisie, maar die ook in toenemende mate sporen laat in de Vlaamse stadsbeelden. Stadssociologen benadrukken dat hier nieuwe kansen liggen voor de stedelijke economie. De nieuwe stedelingen zijn vaak zelfstandige ondernemers of en beschikken alleszins over nogal wat troeven die hen ook aantrekkelijk maken voor de arbeidsmarkt en voor nieuwe investeerders.

Dit tweede verhaal heeft, althans wat Vlaanderen betreft, nog niet zijn vertaling gevonden in het beleid. Uit de buitenlandse voorbeelden kan je evenwel afleiden waar de accenten worden gelegd. Het wonen in de stad moet fiscaal aantrekkelijk worden gemaakt voor de middeninkomens, er moet geïnvesteerd worden in huisvesting op maat van de tweeverdieners, het moet gemakkelijker zijn om te ondernemen in de stad, er moet geïnvesteerd worden in kwaliteitsvol onderwijs en kinderopvang, er moet werk gemaakt worden van een behoorlijk aanbod inzake sport en cultuur. En bovenal er moet een stedelijke mentaliteit worden gecultiveerd: de nieuwe stedelingen zijn kieskeurig en gaan daar wonen waar ze zich het best voelen. Steden die op dit nieuw publiek mikken moeten zich daarvan bewust zijn.

Het eerste verhaal gaat over kansarmoede en de problemen van de stad. Het tweede verhaal gaat over de nieuwe stedelijke middenklasse en over nieuwe economische dynamiek. Wat de twee verhalen met elkaar delen is dat ze allebei resoluut de kaart trekken van de stad. Allebei staan ze positief tegenover de stedelijke diversiteit. Op een aantal vlakken vinden ze elkaar ook in de praktijk: als het bijvoorbeeld gaat over inspraak en participatie, over het leefbaar maken van de wijken en over het bevorderen van een positief stadsklimaat.

Maar de twee verhalen botsen soms ook met elkaar. De aanhangers van het eerste verhaal spreken nogal eens over de gevaren van “verdringing”. Dat de steden nieuwe bewoners aantrekken is, vanuit hun optiek, een goede zaak, zolang dat niet ten koste gaat van de bestaande bewoners. Als een wijk wordt opgewaardeerd, stijgen de huur- en koopprijzen. Als een wijk een middenklasse-publiek aantrekt, verandert ook het karakter van de buurt: de buurtslager wordt vervangen door een delicatessenwinkel, het gezellige café op de hoek wordt een duur restaurant. Vanuit het tweede verhaal volgt dan de repliek dat de nieuwe middengroepen de stadskas spijzen en zo de voorwaarden scheppen om een ruimhartig sociaal beleid te kunnen voeren.

Het spreekt vanzelf dat er nog heel wat andere conflictstof bestaat. Ook als het over beleidskeuzes gaat, over de besteding van de schaarse stedelijke middelen, zullen de twee visies wel eens haaks op elkaar staan. Maar in essentie staan ze voor dezelfde zaak: in de twee verhalen gaat het er om het wonen en werken in de stad opnieuw aantrekkelijk te maken.

5. Stadslucht maakt vrij.

Sven Gatz, Sas van Rouveroij en Christian Leysen hebben met het Liberaal Stedenmanifest getoond dat ze partij kiezen. Ze kiezen voor een radicale breuk met de anti-stedelijke traditie en mentaliteit in Vlaanderen. Hun oproep sluit nauw aan bij het verhaal over de nieuwe stedelijke middenklasse en over de nieuwe stedelijke economische dynamiek.

In dit boek verzamelden we een aantal aanvullingen en commentaren bij dit Liberaal Stedenmanifest. De verschillende bijdragen volgen in grote lijnen de thema’s die in het manifest werden aangesneden. De bijdragen komen van beleidsmakers en academici.  Sommige schreven vanuit een duidelijke liberale invalshoek, anderen helemaal niet.  Alle bijdragen werden ten persoonlijken titel geschreven en binden alleen de auteurs.

Het Stadslucht Maakt Vrij-initiatief heeft inmiddels ook navolging gevonden in de verschillende Vlaamse centrumsteden.  Er vonden een aantal druk bijgewoonde debatmomenten plaats waaraan lokale liberale politici actief hun medewerking verleenden. We willen daarvoor in het bijzonder de volgende personen bedanken:

(…)

Een bijzonder woord van dank gaat ook naar Jan Pille en Axel Polis voor hun inhoudelijke en logistieke ondersteuning van dit project.   

Met dit boek willen de auteurs een aanzet geven tot het debat. De stad moet op de politieke agenda worden geplaatst. Maar dan vanuit een positieve benadering. Het moet gaan over kansen, veeleer dan over problemen, over uitdagingen, veel meer dan over crisissen.

Bibliografie:

Callahan, Gene en Ikeda, Sanford, 2004, The Career of Robert Moses. City Planning as a Microcosm of Socialism, The Independent Review, 9,2, pp. 253-261.

Cheshire, P.C. & Hay, D.G., 1989, Urban problems in Western Europe : an economic analysis, Unwin Hyman, Londen.

De Swaan, Bram, 1989, Zorg en de Staat. Welzijn, onderwijs en gezondheidszorg in Europa en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam.

Freeden, Michael, 2005, Liberal Languages. Ideological Imaginations and Twentieth-Century Progressive Thought.

Hall, Peter, 1988, Cities of Tomorrow. An intellectual history of urban planning and design in the twentieth century, Oxford, Blackwell.

Hall, Peter, 1998, Cities in Civilization. Culture, Innovation and Urban Order, Weidenfeld & Nicholson, Londen.

Jacobs, Jane, 1962, The Death and Life of Great American Cities, Jonathan Cape, Londen.

Kesteloot, Christian, 2003, Verstedelijking in Vlaanderen: Problemen, kansen en uitdagingen voor het beleid in de 21ste eeuw, pp. 15-39, in De Eeuw van de Stad. Over stadsrepublieken en rastersteden. Voorstudies, Administratie Binnenlandse Aangelegenheden Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel.

Kloppenberg, James T., 1986, Uncertain Victory: Social Democracy and Progressivism in European and American Thought, 1870-1920, Oxford University Press, New York.

Lees, Andrew, 1985, Cities Percieved. Urban society in European and American Thought, 1820-1940, Manchester University Press, Manchester.
Mumford, Lewis,

Stone, Norman, Europe Transformed, 1878-1919, Fontana, Glasgow, 1983.

Stouthuysen, Patrick, Duyvendak, Jan Willem en van der Graaf Peter, 2000, Stedelijk beleid in Vlaanderen en Nederland: kansarmoede, sociale cohesie en sociaal kapitaal, pp. 365-394 in, Marc Hooghe (ed.), Sociaal Kapitaal en democratie. Verenigingsleven, sociaal kapitaal en politieke cultuur. Acco, Leuven.

Van Rompuy, Herman, 1985, Hopen na 1984, Davidsfonds, Leuven.

Witte, Els, Craeybeckx, Jan en Meynen, Alain, 1997, Politieke Geschiedenis van België van 1830 tot heden. Spanningen in een burgerlijke democratie, Brussel, VUBPress.

Woltjer, Geert, 1997, De Economische Manier van Denken, Coutinho, Bussum.

Zakaria, Fareed, 2003, The Future of Democracy. Illiberal Democracy at Home and Abroad, Norton, New York.

terug naar startpagina